Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 10Hoe vallens' in een oogen-blick, In haer' verwoesting en haer' strick! Hoe nemen sy een eynd', bestreden Van schrick, en gaen tot nietigheden! Als na 't ontwaecken, droom vergaet,

En als Gy opwaeckt, Heer, haer staet Sult Gy dan, en haer beeltenis Verachten, tot verderffenis.

11Als ick geswollen was van ziel, Om voorspoedt, die tot boosen viel; Als mijne nieren wilden breecken, Geprickelt wierden en gesteecken, Was ick als 't onvernuftig dier, En ick en wiste niet een sier; Toen ben ick, Heer, by U geweest Geacht, gelijck het groote beest.

12Ick sal dan, Heer, gedueriglijck By U zijn, dat ick niet beswijck'. Gy hebt mijn rechterhandt genomen, Om alle swarigheydt t'ontkomen. Gy sult my, wat ick doe of laet,

In alles leyden door Uw' raedt, Daer na sult Gy in heerlickheydt My nemen, tot in eeuwigheydt.

13Wie heb ick in het hemelrijck, Die neffens U zy Uw's gelijck? En neffens U lust my op aerden Niets, 't is my al van geener waerden. Indien mijn vleesch, indien mijn hert Benauwt, beswijckt, verslagen werdt, Soo is mijns herten rotz-steen Godt, In eeuwigheydt mijn deel, mijn lot.

14Want, siet, die verre van U staen, Die sullen t'eenemael vergaen; Gy sult haer alle uytroeyeeren, De welcke van U af-hoereeren. Maer, my aengaende, 't is my goedt,

Dat ick soo na mijn Godt ontmoet: Godt is 't, daer ick my vast op stell', Op dat ick all' Uw' werck vertell'.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove