iiij. Pause.
17Dies deed' Hy hare tijdt vergaen daer henen,
En hare jaren zijn geheel verdwenen,
In ydelheydt en in verschricklickheden.
Sy vraegden vroeg na Hem, en sy beleden,
Als Hy haer doodde, Hem. sy namen keer,
En sochten 's morgens vroeg haer Godt en Heer.
18En dan gedachten sy, dat haer beschutter
En rotz-steen was de Heer, haer' onderstutter.
Dat d'allerhoogste Godt haer soud' bevrijden,
En haer verlosser was uyt al haer lijden.
Sy vleyden met haer mondt, en logen Hem,
Met huychelende tong, en valsche stemm'.
19Want hare ziel' wierdt niet oprecht bevonden.
Sy waren niet getrouw' in Sijn' verbonden.
Doch Hy versoende d'ongerechtigheden;
Hy was barmhertig, noch Hy heeft vertreden,
Maer wendde dickwils af Sijn' grimmigheydt,
En heeft Sijn' gantsche toorn niet uytgebreydt.
20Hy dacht, sy waren vleesch van geene krachten;
Sy waren even als de windt te achten,
Die henen gaet, en niet sal weder-keeren.
Hoe dickwils hebben sy den Heer der heeren
Verbittert in het woudt! en deden smert
In woeste wildernis aen Godes hert!