Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

j. Pause. 7Dat sijn' nakomelingen, Heere, Gantsch worden uytgeroeyt; haer eere, Haer' name word' in na-geslachten Gantsch uytgedelgt; laet Godts gedachten Zijn over d'ongerechtigheydt Der oude vaderen geleydt.

8En laet oock sijnes moeders sonden Noyt uytgedelgt te zijn bevonden. Dat die voortaen gedueriglijcken.

Door Godts des Heeren aensicht blijcken. En dat Hy haer' gedachteniss' Uytroey', en uyt der aerden wissch'.

9Om dat hy noyt en had gedachten Van gunst en weldaedt te betrachten; Maer heeft, die in ellende lagen En noodt, vervolgt, om haer te plagen, En den verslagenen van hert, Om hem te dooden in sijn' smert.

10Dewijle hy den vloeck beminde; Dat die nu koom' en hem verslinde; En geenen lust had tot den zegen, Soo zy die verr' van hem gelegen. Hy zy met alle vloeck en leedt, Als met sijn' kleeding, heel bekleedt.

11Dat allerhande ongelucken

Hem gaen tot in het binnenst' drucken, En diep, gelijck als water-stroomen, En oly in zijn' beenen komen. Dit zy sijn kleedt, 't welck hem bedeckt; 't Welck steets hem tot een gordel streckt.

12Dat sulck een werck-loon haer verteere, Die mijn' party zijn van den Heere, En die, met lasteren beladen, Quaedt-spreecken, en mijn' ziel' versmaden. Maer om uws naems will', Heere, gy, Gy, Heere, maeckt'et wel met my.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove