j. Pause. 9Ons' teeckenen en sien wy langer niet; Propheten zijn niet meer, die ons ontbreecken; En niemandt is by ons, die uyt kan spreecken, Of weet, hoe lange duer' dit ziel-verdriet.
10Hoe lange sult Gy noch verdragen, Heer, Dat Uw' partijders ons met smaedt vertreden? Sal onse vyandt dan in eeuwigheden U lasteren, ô Godt, Uw's Namen eer?
11Waerom hebt Gy Uw' handt doch afgekeert, Ia Uwe rechter-handt? ach, wilt die trecken Uyt Uwen boesem, om ons hulp te strecken:
Ach, maeckt een eynd' daer van, ach Heer verteert.
12Godt is nochtans mijn Godt, van ouden tijdt, Die mijn' verlossing werckt in mijn beswaren; Die, als my diepste noodt is weder-varen, In't midden van de aerd' my heeft bevrijdt.
13Gy hebt de roode zee, door Uwe kracht, Door Uwe sterckte hebt Gy 't meyr gespleten; Gy braeckt der draecken kop, de waters weten, Dat Gy die t'eenemael hebt omgebracht.
14Gy hebt Leviathan den kop met spot Verplettert; Gy hebt hem tot spijs gegeven Den volcken, die ter plaets van dorheydt leven; Gy klooft een beeck, en een fonteyn, ô Godt.
15Rivieren stercke stroom hebt Gy gedroogt; De nachten, Heer, zijn Uw'; Uw' zijn de dagen; Gy hebt de Maen bereydt, om licht te dragen;
Gy hebt de Son bereydt, daer in de hoogt'.
16Gy hebt, ô groote Godt, door all' der aerd' Met Uwe handt gestelt der landen palen; Gy maeckte somer-tijdt, liet winter dalen, Gy deedt het, dat dit koud' en hitte baert.
Cookies on Poetry Cove