Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

j. Pause. 6De vrome sult Gy daer-en-tegen setten In 't erff'lick aerdts besit, en in de lust Van vrede stellen, die gaen na Uw' wetten. De goddeloos' denckt list, en laet noyt rust, Aen die rechtveerdig is; knerst op sijn' tanden Om dat hy over dien sijn lust niet blust.

7De Heer' belacht hem, want sijn dag van schanden, En van sijn ondergang, siet Hy na-by. De boose nemen 't sweerdt in hare handen,

En spannen haren boog; ten eynde sy Het vroom' noodtdruftig volck ter neder maecken, En slachten haters van haer' schelmery.

8Maer haren aenslag sal haer selfs genaecken; Haer eygen sweerdt sal in haer herte gaen; Haer' uytgespannen boog aen stucken raecken. Het weynig', van die op de vroomheydt staen, Is beter, dan de schat der goddeloosen, Der menschen, die het goedt niet gade slaen.

9Want Godt sal breecken all' de macht der boosen, Maer vrome ondersteunt des Heeren handt: Hy kent de tijdt, van die het recht verkoosen, En hare erffenis houdt eeuwig standt. d' Oprechte ziele sal geduerig wesen, En werden nimmermeer gemaeckt tot schandt.

10Wanneer een' quade tijdt sal zijn geresen,

Sal hy niet zijn beschaemt; in hongers-noodt Sal hy versadigt zijn, noch honger vreesen. Maer boose sullen zijn gebracht ten val; Godts vyandt stort, als 't vet des lands, ter neder, En hy verdwijnt als roock, geheel en al.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove