Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

T. Koph. Xix. 73VAn gantscher hert' en ziel' riep ick U aen; Verhoort, ô Heere, my; 'k sal na behooren, Bewaren Uwe Wet, en daer na gaen. Ick riep tot U, mijn' beê quam tot Uw' ooren; Verlost my, en ick sal 't getuygeniss' Van U noch houden, Heer, als van te vooren.

74De morgen-schemering van 't dag-licht is Verrast door mijns geschreys gemaeckte klachten; Ick stelde op Uw' woordt mijn' hoop gewis.

Mijn' oogen komen, Heer, de wacht der nachten Te vooren; om Uw' wil, bevel, en woordt, Uw' reden, soo 't behoordt, wel te betrachten.

75Na Uwe goedigheydt, ô Heere, hoort De stemm' van mijn geschrey; doet my herleven, O Heere, na Uw' recht, en na 't behoort. Die quade kunsten, en die list bedreven, Die jagen na my, en genaecken my; Sy wijcken verr' van 't woordt, door U gegeven.

76Maer Gy, ô Heere, zijt met hulp' na-by, En seecker is 't voor dien, die op U bouwen, Dat al, 't geen Gy geboodt, waerachtig zy. Van oudts hebb' ick van Uw' bevel onthouwen, Van Uw' getuygeniss'; dat eeuwiglijck Gy die gegrondet hebt ter goeder trouwen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove