Pause.
5Ick seyde wel in mijne rust,
Wanneer ick voorspoedt had, na lust,
Mijn' ziele wanckelt nimmermeer,
Want Gy hadt mijnen berg, ô Heer,
Door Uwe gunst en goedigheden
Gevest, wanneer ick wierd' bestreden.
6Maer doe Gy die hebt afgevoert,
Wierd' ick verschrickt, verbaest, beroert;
Doe riep ick na Uw' aengesicht;
Tot Godt was mijn gesmeeck gericht,
Wat winst is in mijn bloedt te halen,
En mijner zielen neder-dalen?
7Sal Uwe waerheydt, Uwe lof
Verkondigt werden door het stof?
Sal 't loven Uwer daden-eer?
Hoor, Heer, zijt my genadig, Heer,
Wilt by my met Uw' sterckte woonen,
En Uwe hulpe my betoonen.
8Gy hebt mijn' wee-klacht en geschrey,
O Heer, verandert in een rey:
Gy loste my van alle leedt,
En hebt met blyschap my bekleedt,
Op dat ick singe, t'Uwer eere.
Ick sal U eeuwig loven, Heere.