Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 9Sy wierden evenwel vol schandt bevonden, Sy voeren evenwel voort in haer' sonden, Verbitterende Godt, door al haer morre', Den allerhoogsten Godt, in 't wild' en dorre. En sy versochten Hem in hare ziel',

En wilden spijs' na lust, die haer geviel.

10Sy spraecken tegen Godt, en seyden; Soude Godt tafel richten in den woesten woude? Siet, Hy sloeg rotzen, en deed' water-stroomen, En beecken overvloedt uyt rotzen komen. Soud' Hy oock machtig zijn, Sijn' volcke broodt En vleesch te schaffen in de hongers-noodt?

11Godt hoorde daerom dit, en wierdt ontsteecken, Door een' verbolgenheydt, om sulck een spreecken. Daerom ontstack een vyer; Godts toorns bewegen Ging tegen Israël, ging Iacob tegen, Om dat van haer op Godt niet is gebouwt, En op Sijn heyl van haer niet is vertrouwt.

12Daer Hy de wolcken, die daer boven dreven, Bevolen had, en een gebodt gegeven, En d'hemels deur ontsloot en sondt een regen

Van Manna op hen af; op dat sy kregen Spijs' om te nutten: koorn des hemels gaf Hy hen; sy wierden daer versadigt af.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove