Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

N. Mem. Xiij. 49WAt liefde hebb' ick op Uw' Wet geset, O Heere; want sy is het gantsche dagen, Op welcks betrachting ick denck ende let. Sy maeckt my door 't gebodt van Uw' behagen, Oock wijser, dan die my, als vyandt haet; In eeuwigheydt werdt sy by my gedragen.

50'k Versta veel meer, dan die my leert, verstaet, Want Uw' getuygeniss', my voor-geschreven, Is mijn' betrachting, Heer, in alle daedt. Voorsichtiger ben ick in wel te leven, Dan d'oude lieden zijn, ô Heer, om dat Ick hebb' 't bevel bewaert, van U gegeven.

51Ick hebb' mijn' voet geweert van 't quade padt, En afgehouden van de boose wegen, Om t'onderhouden, Heer, Uw' woorden-schat

Van Uwe rechten ben ick in mijn plegen Niet afgeweecken, noch ter zijd' gegaen, Want Gy hebt my geleert, geleert ter degen.

52Hoe soet, hoe lieffelick, om te verstaen Was voor 't gehemelt', Heer, by my Uw' reeden, Meer dan den honich, in mijn' mondt gedaen. Uyt Uw' bevel krijg ick verstandigheden, Daeromme zijn sy all' van my gehaet, Die op het leugen-padt der valschheydt treden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove