Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

v. Pause. 21Hy ging een wolck-colom verwecken, En breyde die om haer te decken; Een vyer-colom gaf Hy, die 't licht Des nachts bracht voor haer aengesicht. Hy dede, toen het volck Hem badt, De quack'len komen, dat het at.

22Hy spijsde haer met hemels spijsen; Uyt rotzen deed' Hy waet'ren rijsen: Door dorre plaetsen ging haer' vloedt, Gelijck als een riviere doet. Hy dacht aen 't woordt der heyligheydt, Aen Abraham, Sijn knecht, geseydt.

23Hy voerde 't volck soo uyt met vreugden, Dat d'uytverkoor'ne sich verheugden, En juychten met gemeener handt; En Godt gaf hen der Heyd'nen landt. Hy gaf tot erffenis haer in Der volck'ren arbeydt en gewin.

24Op dat sy alle tijdt op aerden, Als Sijne dienaren, bewaerden En onderhielden Sijne Wet, Die Hy voor haer had in-geset;

Op dat Sijn' lof mocht zijn verbreydt, Met lof-sang in der eeuwigheydt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove