Pause.
7Gelijck een vader over sijne sonen
Ontfermt, soo wil de Heer ontferming' toonen
Aen die Hem vreesen in oprechtigheydt.
Want Hem is kenn'lick, 't is in Sijn' gedachten,
Wat maecksel dat wy zijn; gantsch niet te achten
Dan enckel stof, en niet dan nietigheydt.
8Als 't gras en hoy zijn 's menschen levens dagen;
Hy bloeyt, gelijck een bloeme, die wy sagen
Een weynig tijdts in sijne volheydts eer:
Maer, als de windt daer over is gedreven,
Is sy niet meer; de plaets aen haer gegeven,
Die weet sy, noch die kent sy dan niet meer.
9Maer onses Godts des Heeren goedigheden
Zijn voor altijdt, en zijn tot eeuwigheden,
Aen die Hem vreesen; Sijn gerechtigheydt
Blijft aen kinds kind'ren, die 't verbondt betrachten,
En aen Sijn Wet en Sijn' bevelen dachten,
Om die te doen met alle vlijtigheydt.
10Godt heeft Sijn throon in d' hemelen doen blijcke'
En vast gemaeckt; des Heeren Koninckrijcke
Heeft over alles heerschappy en macht.
Looft Hem, gy Eng'len, ô gy stercke Helden,
Die Sijn woordt doet, die u geduerig stelden
Gehoorsaem op Sijn' stem en woorden-kracht.
11Heyr-scharen Gods, wilt all' Hem lof toe-dragen,
Gy Sijne dienaers, die het wel-behagen
Des Heeren doet, 't geen u geboden werdt;
O, all' Sijn' wercken, laet Godts eere blijcken,
Aen alle plaetsen van Sijn' Koninckrijcken:
Looft Godt, mijn' ziele, looft de Heer, mijn hert.