Pause.
4Wanneer ick Uwer hebb' gedacht,
Mijn Godt, op mijne leger-steden,
Dan ging ick mijn gepeyns besteden
Aen U, in 't waecken van de nacht.
Want Gy hielpt my in alle dingen,
En in de schaduw', in 't beschut
Der vleugelen, en in Uw' stut,
Sal ick U vrolick Psalmen singen.
5Mijn' ziele kleeft U achter aen;
En volgt, en wil niet van U wijcken.
Uw' handt behoedt my, voor 't beswijcken:
Uw' onder-steunsel doet my staen.
Maer alle dese, die vergaerden,
Tot mijn' verwoesting, tot mijn' doodt,
Die zijnse, die de Heere stoot
In d'onder-plaetsen van der aerden.
6Men salse storten door 't geweldt
Des sweerdts; men salse heel vernielen;
Den vossen sullen all' haer' zielen
Ten proy, ten deele zijn gestelt.
De Koning sal in blijdtschap leven,
Een yegelicken, die hem eert,
En die by Sijne Name sweert,
Sal zijn tot roem, in Godt, gedreven.
7Want alle des onwaerheydts tael,
De mondt van all' die leugen spreecken,
Sal zijn verstopt, en blijven steecken
In haer verdicht en valsch verhael.