F. Vau. vj.
21DAt my Uw' goede gunst geschoncken wert,
Dat my Uw' heyl, ô Heer, mach overkomen,
Na Uw' toeseggings woordt; vrijdt my van smert.
Op dat ick, die my heeft tot smaedt genomen,
Een woordt tot antwoordt geef; want op U woordt,
Vertrouw ick gantschelick en sonder schromen.
22En ruckt het waerheyts woort, ô Heer, niet voort,
Van mijnen mondt te seer; want ick vertrouwde
En hoopte steedts op 't recht van Uw' gehoort;
Soo sal ick Uwe Wet steedts onderhoude;
Soo sal ick Uw' bevel doen alle tijdt,
En toonen, dat Uw' wil my noyt berouwde.
23Dan sal ick wandelen in 't ruym en 't wijdt,
Vry, buyten schrick, om dat ick Uw' beveelen
Altijdt gesocht heb, Heer, met alle vlijt.
Ick sal den Koningen oock mede-deelen
Van Uw' getuygenis, in vrye spraeck,
'k Sal my niet schamen, noch 't salmy verveelen.
24In Uw' geboden sal ick mijn vermaeck
Gaen nemen; in Uw' wet, die ick beminne,
Die ick beminne, meer dan eenig' saeck.
Na Uw' geboden sal ick handt en sinne
Opheffen; toonen sal ick, dat ick waeck
In Uw' insettingen, van den beginne.