Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

F. Vau. vj. 21DAt my Uw' goede gunst geschoncken wert, Dat my Uw' heyl, ô Heer, mach overkomen, Na Uw' toeseggings woordt; vrijdt my van smert. Op dat ick, die my heeft tot smaedt genomen, Een woordt tot antwoordt geef; want op U woordt, Vertrouw ick gantschelick en sonder schromen.

22En ruckt het waerheyts woort, ô Heer, niet voort, Van mijnen mondt te seer; want ick vertrouwde En hoopte steedts op 't recht van Uw' gehoort; Soo sal ick Uwe Wet steedts onderhoude; Soo sal ick Uw' bevel doen alle tijdt, En toonen, dat Uw' wil my noyt berouwde.

23Dan sal ick wandelen in 't ruym en 't wijdt, Vry, buyten schrick, om dat ick Uw' beveelen Altijdt gesocht heb, Heer, met alle vlijt.

Ick sal den Koningen oock mede-deelen Van Uw' getuygenis, in vrye spraeck, 'k Sal my niet schamen, noch 't salmy verveelen.

24In Uw' geboden sal ick mijn vermaeck Gaen nemen; in Uw' wet, die ick beminne, Die ick beminne, meer dan eenig' saeck. Na Uw' geboden sal ick handt en sinne Opheffen; toonen sal ick, dat ick waeck In Uw' insettingen, van den beginne.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove