WEl hem, van wien sijn' sond', by hem bedreven,
Heel wech-genomen is, en hem vergeven;
Wel-gelucksalig is des mannen-lot,
Wiens overtreding is bedeckt van Godt.
Die mensch' is met het grootst' geluck geteeckent,
Dien 't onrecht d'Heere Godt niet toe en reeckent,
En in des welcken ziel en suyv're geest
Bedriegerye noyt en is geweest.
2Doe ick mijn' sond' den Heer versweeg; verdweenen,
Verouderden aen my all' mijne beenen,
In mijn' gedueriglick geschrey, geklag;
En in mijn brullen door den gantschen dag.
Want Uwe handt was swaer op my, by dagen
En nachten, Heere Godt; door Uwe slagen
Werdt all' mijn' vochtigheydt tot niet verteert:
In somer-droogt werdt all' mijn sap verkeert.
3Mijn' sond', ô Heere, hebb' ick U beleden;
Ick deckte niet mijn' ongerechtigheden.
Ick sprack; Ick sal de Heer mijn overtreên
Belijden; en Gy wierpt mijn' sond' daer heen.
Hierom sal yeder van die U beminden,
U, Heere, bidden, in de tijdt van vinden.
Ia in een over-loop, die 't water maeckt,
En sullen sy daer van niet zijn geraeckt.