Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

WEl hem, van wien sijn' sond', by hem bedreven, Heel wech-genomen is, en hem vergeven; Wel-gelucksalig is des mannen-lot, Wiens overtreding is bedeckt van Godt. Die mensch' is met het grootst' geluck geteeckent, Dien 't onrecht d'Heere Godt niet toe en reeckent, En in des welcken ziel en suyv're geest Bedriegerye noyt en is geweest.

2Doe ick mijn' sond' den Heer versweeg; verdweenen, Verouderden aen my all' mijne beenen, In mijn' gedueriglick geschrey, geklag; En in mijn brullen door den gantschen dag. Want Uwe handt was swaer op my, by dagen En nachten, Heere Godt; door Uwe slagen Werdt all' mijn' vochtigheydt tot niet verteert:

In somer-droogt werdt all' mijn sap verkeert.

3Mijn' sond', ô Heere, hebb' ick U beleden; Ick deckte niet mijn' ongerechtigheden. Ick sprack; Ick sal de Heer mijn overtreên Belijden; en Gy wierpt mijn' sond' daer heen. Hierom sal yeder van die U beminden, U, Heere, bidden, in de tijdt van vinden. Ia in een over-loop, die 't water maeckt, En sullen sy daer van niet zijn geraeckt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove