Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 6Gy bracht uyt den Egypten-lande Een' wijn-stock, als gy Heyd'nen bande; Gy plantte daer den selven, Heer; Gy maeckte daer sijn' plaets' van eer; Soo dat sijn' wortel vast'lick kleeft,

En 't heele landt vervullet heeft.

7Sijn' schaduw' van veelvuldigheeden Ging bergen decken en bekleeden: Sijn' ranken stonden hoog en trots, Gelijck als Ceder-boomen Godts. Tot aen de zee, en de rivier, Schoot hy sijn' ranck en scheut van hier.

8Waerom hebt Gy sijn muer verslagen, Soo dat hem, die voorby gaen, plagen? Het wilde swijn, in 't woudt gevoedt, Heeft hem gepluckt en uyt-gewroet, Het wildst der velden wreedigheydt Heeft t'eenemael hem afgeweydt.

9O Godt der heyren, Heer der heeren, Wilt doch eens tot ons weder-keeren; Aenschouwt uyt d'hemel, ende let

Op desen wijn-stock, hier geset. Siet op Uw' handts plant-stam, en merckt, Om Uwen Soon, van U gesterckt.

10Sy is verbrandt met vyerigheden, En afgehouwen, en vertreden, Voor 't schelden van Uw' aengesicht. Uw' handt zy op de man gericht, Op 's menschen sone uytgereckt, Dien Gy Uw' sterckte hebt verstreckt.

11Soo sullen wy ons niet begeven Van U te rugg': houdt ons in 't leven, Soo roepen wy Uw' Naem aen, Heer. Heer, Godt der heyren, brengt ons weêr. Geeft dat Uw' aenschijn ons verlicht, Soo werden wy verlost, verlicht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove