Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 6Krom, door 't geen ick hebb' geleden, Zijn mijn' leden; Uytter-maten neêr-gebuckt; En ick ga geheele dagen Rouwe dragen, Over 't quaedt het welck' my druckt.

7Want mijn' innerlickste darmen Zijn, och armen, Vol verachte plagen, Heer. All' mijn vleesch is heel daer heenen, Wech verdweenen: Daer aen is geen heeling meer.

8'k Ben door onmacht over-streden,

Swack van leden, En gebrijselt boven maet; En ick brull' gelijck de leeuwen, Door het schreeuwen, En 't geruysch 't geen van my gaet.

9Voor Uw' oog alleen is, Heere, Mijn begeere', En Gy hoort mijn kermen klaer; En al' mijne ongenuchten, En mijn' suchten Zijn voor U heel openbaer.

10Om en om keert sich mijn herte, Door de smerte; All' mijn' krachten zijn van mijn; En my is geheel ont-togen 't Licht der oogen,

Die oock selfs niet by my zijn.

11Mijn beminners, mijne vrienden, Die my dienden, Sietmen verre van my staen, En mijn' na-bestaende magen Sien mijn' plagen t' Eenemael van verre aen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove