j. Pause. 4Hy stelde duysternis, tot Sijn verschuylen; Rondtom Hem was Sijn tent, wolck, water-kuylen. Sijn wolck dreef van de glants die voor Hem was: Sijn hagel, kolen vyers, die wierden asch. De Heer sondt donder af, uyt 't Hemelrijcke. De Allerhoogste deed' Sijn stemme blijcke'. De hagel liet Hy op ons neder-gaen. Met kolen vyers quam Hy het volck te slaen.
5Hy sondt Sijn' pijlen uyt; Hy quam haer allen Met vele blixems schrick heel overvallen. Der diepe wat'ren kolck, soo verr' sy streckt, En 's wereldts gronden zijn geheel ontdeckt, Door Uwe schelding, Heer, en door de winden, Die Uwe neuse blaest, en die verslinden. Hy nam my; Hy was 't die sondt van om hoog,
En uyt het groote meyr my trock op 't droog.
6Sijn' handt heeft my verlost van vyandts scharen Van haters, die voor my te machtig waren. Sy overvielen my, in ongeval. Maer mijn' beschutting was Godt over al. Hy voerde my in 't ruym; Hy ging my dragen Op 't veylig; want Hy had in my behagen. Na mijn' gerechtigheydt gaf Hy my loon. Hy gaf my weder; want mijn' handt was schoon.
7Ick hieldt oprechtelick des Heeren wegen. Ick weeck van Godt niet af, door boosheyts plegen. Want 't was al recht voor my, 't geen Hy gebiedt, En Sijne Wetten deed' ick van my niet. Maer alle tijdt ben ick oprecht bevonden; Van onrecht hield' ick my; en van de sonden. Soo gaf de Heere my mijn rechte loon,
Voor Sijne oogen; want mijn' handt was schoon.
Cookies on Poetry Cove