Pause.
6Mijn oog treurt van verdrucking seer;
Ick roep' tot U de gantsche dagen;
Ick streck' tot U de handt met klagen;
Sult Gy een wonder doen, ô Heer,
Aen dooden? sullen d'over-leden
Oprijsen, en Uw' lof verbreeden?
7Sal Uwe goedertierenheydt,
En Uwe hier genooten' gaven,
Verhaelt zijn van die zijn begraven?
Sal dit door doode zijn geseydt?
En sullen Uw' getrouwigheden
In des verderfs plaets zijn beleden?
8Sal doch Uw' wonder zijn geseydt,
En in het duyster zijn geweten,
Noch Uw' gerechtigheydt vergeten,
In landen der vergetenheydt?
Maer ick roep', Heere, tot Uw' ooren;
't Gebedt komt 's morgens U te vooren.
9Waerom is 't, dat Gy my verstoot,
En dat Uw' aenschijn is verborgen?
Van jongs op ben ick vol van sorgen;
Bedruckt, en braeckende de doodt.
Ick drage nu vervaerlickheden,
Ick ben vol twijffelmoedigheden.
10Uw' heete toorn gaet over my,
En Uw' verschricking' komt my drucken,
Doet my vergaen, en henen rucken.
Den gantschen dag omringen sy
My als het water, en sy geven
Haer t'samen om my, om mijn leven.
11Gy hebt mijn vriendt van my gedaen,
En alle mijne met-gesellen
Gingt Gy seer verre van my stellen;
Sy zijn in duysternis gegaen,
Die voortijdts waren mijn bekende;
Sy sien op my niet, in ellende.