Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 6Mijn oog treurt van verdrucking seer; Ick roep' tot U de gantsche dagen;

Ick streck' tot U de handt met klagen; Sult Gy een wonder doen, ô Heer, Aen dooden? sullen d'over-leden Oprijsen, en Uw' lof verbreeden?

7Sal Uwe goedertierenheydt, En Uwe hier genooten' gaven, Verhaelt zijn van die zijn begraven? Sal dit door doode zijn geseydt? En sullen Uw' getrouwigheden In des verderfs plaets zijn beleden?

8Sal doch Uw' wonder zijn geseydt, En in het duyster zijn geweten, Noch Uw' gerechtigheydt vergeten, In landen der vergetenheydt? Maer ick roep', Heere, tot Uw' ooren; 't Gebedt komt 's morgens U te vooren.

9Waerom is 't, dat Gy my verstoot, En dat Uw' aenschijn is verborgen? Van jongs op ben ick vol van sorgen; Bedruckt, en braeckende de doodt. Ick drage nu vervaerlickheden, Ick ben vol twijffelmoedigheden.

10Uw' heete toorn gaet over my, En Uw' verschricking' komt my drucken, Doet my vergaen, en henen rucken. Den gantschen dag omringen sy My als het water, en sy geven Haer t'samen om my, om mijn leven.

11Gy hebt mijn vriendt van my gedaen, En alle mijne met-gesellen Gingt Gy seer verre van my stellen; Sy zijn in duysternis gegaen,

Die voortijdts waren mijn bekende; Sy sien op my niet, in ellende.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove