Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 8Uw' handt, mijn Heer, mijn Godt, sal slaen, Uw' rechter-handt sal vinden, En dempen, en verslinden Die vyandtlick U tegen-staen: Die, vol van helsch fenijn, Uw' en mijn' haters zijn.

9In Uwe gramschap sult Gy haer In 't vyer Uw's ovens setten,

Die tegen Uwe wetten Haer setten in het openbaer. Verslinden sal Uw' handt, Verteeren sal Uw' brandt.

10Gy sult haer, en haer vrucht met een, En alle haer' geslachten Doen uyt des aerdts gedachten; Haer' naem, haer zaedt sal zijn vertreên, Soo datmen niet een kindt Van hare stammen vindt.

11Dewijl' sy hebben alle quaedt Getracht op U te wenden, En sochten U te schenden, Door hare schandelicke daedt. Maer, haer vermogen sal Doch wesen niet met al.

12Gy sultse setten voor Uw' oog, Sy sullen 't doel-wit wesen Van Uwe stercke pezen. Uw' schicht en Uw' gespannen boog Sal op haer aengesicht En kop zijn afgericht.

13Maeckt U dan op; verheft U dan, O Heer, in Uwe sterckte. Het welck Uw' hoogte werckte, Dat sullen wy met alle man Psalm-singen, en Uw' macht Te voorschijn zijn gebracht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove