Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

G. Zaïn. vij. GEdenkt des woorts 't welck Gy sprackt tot Uw' knecht Op 't welcke Gy, ô Heer, my hebt doen bouwen. Op 't welck ick all' mijn hoop' heb aengelegt. Dit 's mijn elendens troost; mijn vast vertrouwen. Want 't geen Gy hebt belooft en toe-geseydt, Heeft levendig gemaeckt en my behouwen.

26De trotse mannen, vol hoveerdigheydt, Bespotteden my seer, en boven maten; 'k Ben van Uw' Wet nochtans niet af-geleydt. 'k Heb mijn' gedachten, Heer, gantsch loopen laten Door Uwe oordeelen, van oudts her aen, En dit quam my tot troosts verquicking baten.

27Met groot' ontstelteniss' ben ick belaên, En een beroering heeft mijn ziel bevangen, Om boose, die Uw' Wet verlaten gaen. d'Insettingen van U zijn mijn' gesangen, Mijn Psalmen-stof geweest, ten plaetse, Heer, Van mijne vreemd'lingschap, en ballings gangen.

28Des nachts heb ick Uw's Naems en Uwer eer, Geweest gedachtig, Heer; en hebb' Uw Wetten, Bewaert, en keerde daer van nimmermeer. Dat's my geschiedt, om dat ick wilde letten

Op 't onderhouden Heer, van Uw' gebodt, En my na Uw's bevels bewaring setten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove