G. Zaïn. vij.
GEdenkt des woorts 't welck Gy sprackt tot Uw' knecht
Op 't welcke Gy, ô Heer, my hebt doen bouwen.
Op 't welck ick all' mijn hoop' heb aengelegt.
Dit 's mijn elendens troost; mijn vast vertrouwen.
Want 't geen Gy hebt belooft en toe-geseydt,
Heeft levendig gemaeckt en my behouwen.
26De trotse mannen, vol hoveerdigheydt,
Bespotteden my seer, en boven maten;
'k Ben van Uw' Wet nochtans niet af-geleydt.
'k Heb mijn' gedachten, Heer, gantsch loopen laten
Door Uwe oordeelen, van oudts her aen,
En dit quam my tot troosts verquicking baten.
27Met groot' ontstelteniss' ben ick belaên,
En een beroering heeft mijn ziel bevangen,
Om boose, die Uw' Wet verlaten gaen.
d'Insettingen van U zijn mijn' gesangen,
Mijn Psalmen-stof geweest, ten plaetse, Heer,
Van mijne vreemd'lingschap, en ballings gangen.
28Des nachts heb ick Uw's Naems en Uwer eer,
Geweest gedachtig, Heer; en hebb' Uw Wetten,
Bewaert, en keerde daer van nimmermeer.
Dat's my geschiedt, om dat ick wilde letten
Op 't onderhouden Heer, van Uw' gebodt,
En my na Uw's bevels bewaring setten.