Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

iij. Pause. 12Gy maekte my door kracht ten strijt doorluchtig; Die op-stondt tegen my, maeckt Gy veldt-vluchtig; Mijn vyandts necke bracht Gy in de strick, En die my haten, die vernielde ick. Sy riepen wel om hulp, maer vonden geenen; Ia tot de Heer, die 't oor niet wilde leenen: Doe heb ick haer vergruyst, als stof voor windt; Haer wech-geruymt, gelijck men 't slijck verslindt.

13Van twisten van het volck hielpt Gy my, Heere; De Heyd'nen gaeft Gy my tot hooft, tot eere; Het volck het welcke my noyt heeft gekent, Heeft my gedient, en sich na my gewendt. Soo haest haer oor yets quam van my te blijcken,

Sy onderwierpen sich geveynsdelijcken; Men siet, dat vreemde macht vervallen leydt; Sy beefden uyt haer slot, en vastigheydt.

14De Heere leeft: mijn rotz is om te loven. Verhoogt de Godt mijns heyls; de Godt daer boven. Die my volkomelick de wraecke geeft, En volcken onder my geworpen heeft. Gy zijt het die my helpt van mijn' partijden, En boven haer verheft, die my bestrijden. Gy zijt het, Heere, die U voor my stelt; Gy redt my van de man en sijn geweldt.

15Ick sal U daerom, Heer, by Heydens prijsen; Ick sal door mijn gesang U eer bewijsen: Die het verlossen van Sijn Vorst verbreydt, En Sijn' gesalfden doet barmhertigheydt. Aen David, aen het zaedt, 't welck uyt sijn' leden

Gesproten is, van nu tot eeuwigheden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove