Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

E. He. v. 17LEert my den weg, die uyt Uw' lippen viel; Dien Gy hebt ingeset; 'k sal hem betrachten, Ten eynde toe, ô Heer, tot aen de hiel. Geeft my 't verstandt, ick sal Uw' Wetten achten, Ia onderhouden sal ick die, ô Heer, Met gantscher herten en met all' mijn' krachten.

18Geeft dat ick 't padt Uw's Wets betreden leer'; Het padt van Uw' gebodt; want mijn behagen Is daer in, en mijn lust die ick begeer';

Laet doch mijn hert na Uw' getuyg'niss' jagen, En neygt het na Uw' Wet; maer laet het niet Tot vuyle gierigheydt zijn wech-gedragen.

19Wendt 't oog my af, op dat het niet en siet, Van 's wereldts ydelheydt, maer laet my leven, Door Uwe wegen, die Gy leeren liet. Wilt een' bevesting Uw's toe-seggings geven Aen Uwen trouwen knecht, die toe-gedaen Tot Uwer vreese, werdt daer toe gedreven.

20Wendt mijne smaedtheydt af; laet achter-staen Gevreesde schimp; want Uw' rechtvaerdigheden Zijn 't die in billickheydt en 't goede gaen. Siet, ick hebb' lust, begeert', genegenheden, Tot Uw' beveelen, Heer; verquickt mijn hert, Maeck 't levendig door Uw' gerechtigheden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove