Skip to content
1683

De geestelijke goudschaele

Hendrik Rintjes

Den Lof-sangh Mariae. Myn ziel maeckt groot den Heer, Mijn Geest verheught hem seer, In mijnen Godt vol trouwen, Hy is mijn zaligheit, End’ wil oock de kleynheyt, Sijner Dienstmaeght aenschouwen. 2. Siet hierom sullen my, Alle gheslachte vry, Wel gheluckzaligh achten, Want onse Godt seer goet, Groote dingen nu doet, Door sijn hant sterck in krachten. 3. Heylich is sijnen Naem, End’ sijn goetheyt bequam, Sal eeuwighlijck beklijven. Van Kindts Kind’ren voortaen,

Voor hen die recht wel gtaen, En in Godts vrese blijven: 4. Een schoon end’ heerlijck werck, Door sijnen arm seer sterck, Heeft ghedaen Godt almachtigh: Hy heeft de stoute quaet, End’ hares herten raet, Tot niet ghemaeckt seer krachtigh. 5. Die stout zijn in hooghmoet, Vol van eer end’ van goet, Heeft Godt neder gedreven: End’ die arm zijn end’ kleyn, Heeft sijn goetheyt alleyn Seer heerlijck nu verheven. 6. Die arm zijn nae den geest, Den welcken honghert meest, Versaedt de Heer ghepresen. Die rijck zijn, vol end’ groot, Heeft hy ledigh end’ bloot Van hem vry afghewesen. 7. Hy verjeft Israel, Sijn Soon end’ ghedenckt wel Aen sijn groote ghenade: Soo hy heeft Abraham, En ‘t volck dat nae hem quam, Toe-geseyt vroegh end’ spade.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De geestelijke goudschaele · Hendrik Rintjes · Poetry Cove