Skip to content
1650

Medenblicker scharre-zoodtje

Hendrick Jansz. Prins

Stem: Een Ionckvrouw die mijn hert doorwondt. DAer is de stemme van mijn Vrient, Ick riep hem en hy hoord' Hy isser die me troost verlient Met sijn ghesicht en woordt. Hy springht, hy huppelt over 't hoogh Van bergh en heuvel heen; Niets hinderen sijn mondt en oogh, Mijn sonden groot of kleen.

2. Soo snellijck haest hy als een Rhee, Of jonger Hinden-welp; Hy is al by de muer alree Tot mijner Zielen-help. En schoon de muer hem van me scheyt, Door tralien hy blinckt, En kijckend' uyt de venster leyt: 't Gejuych der vreugde klinckt.

3. My dunckt ick hoor geroep, tot my, Stae op mijn trouw Vriendin! Verbergh u niet, vertoon u vry Mijn Schoon', die ick bemin. De droeve Winter is voor-by, De reghen wegh-gegaen, De Hemel klaer, de lucht is bly, Laet uwe rouwe staen.

4. De bloemen brengen bloeysel voort, De sanger-rijdt genaeckt, De Tortel-duyven stem men hoort, De droefheyt zy ghestaeckt. De Geestelijcke Lente-tijdt, Van Hemels melody, Der Heyligen ghesanten blijdt Is vol verquickery.

5. De Wijn-stock en de Vijge-boom Van mijn vernieuwde Kerck, Geladen met den eersten room Van 't neerstigh acker-werck, Die brengen Druyven, Vijgen, voort Van jonge teere vrucht, Getuyghen van een beter oort Der soetelijcke lucht.

6. Wel op Vriendinne! stae dan op, Kom uyt de scheur en kloof Der Rots, en holle steyle top, Betoon my u gheloof: Laet wacker hooren uwe stem, Sy is my rechte soet. Kom uyt, en blijf niet in de klem, Want uw' gedaent is goet.

7. En ghy die mijne gaerd aenhangt, Bewaerts' als eyghen erf; Siet toe, die loose Voose vanght Die loeren op verderf: Sy zijn van Goddeloosen aert, Sy maecken dat me beeft: Want onse teere Wijnnegaert Noch jonge Druyven heeft.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.