Skip to content
1650

Medenblicker scharre-zoodtje

Hendrick Jansz. Prins

Stem: o Kercke Christi! bloemken pure. Of, 66. Psalm.Ofte, 10. Geboden.

WEer-lief-de liefd' met liefd' vermeerdert, Sy weckt, sy treckt, sy kleeft, sy geeft Sy lieft, sy looft, sy werdt vereerdert, Om dat haer lief-geloof-de leeft; Die seyt, ghy schoon' en Hemel-weer-de, Inwendigh en uytwendigh schoon, Wat is, of sal der zijn op

eerde, Dat lijck van uwe schoonte toon.

2. Uw' oogen, hayren, tanden, lippen, De slaep des hoofts, uw' hals, u borst, Zijn u als seven-geestes stippen Des seven-oogig Lams en Vorsts. Uw' oogen, als der Duyven, stralen Van tusschen uwe vlechten heen; 't Verstant en oordeel twee gemalen, Kuysch, suyver, zedigh in de re'en.

3. Uw' hayren, uwes hoofts-cieraden, Des Godsdienst uyterlijk gewaet, Zijn even, als der Gileaden Bergh-geyten-hayren, in gelaet. U tanden reyn en af-geschrapen, Herkauwend' geestelijcke spijs, Als woschen en geschoren Schapen, Die geven vruchtbaerheyts bewijs.

4. Uw' lippen, suyv're leerings-spraken, Sich spreyden als een bloosigh snoer Van 't roode brandige Scharlaken, Den slaep uw's hoofts, der schaemten vloer, Met wittig-rood, wil blijcken laten, Doch sparighlijck uw' sedigh'en, Gelijck de korlen van Granaten Blick-bloosen in gesneden le'en.

5. Uw' hals verwachtens onderstuttingh, Als Davids tooren, op-gebout Met Wapen-tuygen, tot beschuttingh Rondassen, Schilden, set haer stout. Uw' borsten soete-melckse-flessen, Daer ghy de Zielen mede sooght, Der beyder Testamenten lessen: Beschaffen voedtsel in de drooght.

6. Gelijck der Tweelingen, of Welpen, Van wel-gevoedert Rhee, of Geyt, Om met het soet de dorst te stelpen, Als onder Lelyen geweyt, Maer Lief, van my soo seer gepresen Verwacht de Bruyloft niet te vroeg, Tot dat sal aengekomen wesen Des werelts avont, houd' u smoeg.

7. Terwijl de schaduwen vervlieden Sal op der Mirren Hemel-bergh, En Wieroock-heuvel, het geschieden Dat ick mijn Godt u vrydom vergh. Ghy schoone, ghy geheelijck schoone Vriendin, wiens sonden ick bedeck, Ick sal u mijnen Vader toonen Reyn, sonder rimpel ende vleck.

8. Vergaderd' dan tot uwen besten, Van Libanon, van Amana, Van Senir, Hermon, van gewesten, Des wilden volcx, en by my sta. Ghy hebt my 't herte wegh-genomen, O mijne Suster! uw' geloof,

Een uwer oogen, is gekomen Met hals-cieraedt, ten herten-roof.

9. O Bruydt! u liefd' hoe uytgesteken, Hoe smaeck-vermaeck'lijck boven Wijn, Vw' Oly-reuck, hoe soet, geleken By alle speceryen zijn? U lippen, die mijn roem verbreyden, Die druypen, als den honigh-seem. Uw' kleed'ren reucken sich verspreyden Als die van Libanons gebe'en.

10. Mijn Suster, als een Hof besloten, Als een verzegelde Fonteyn, Met mijn genaden over-goten, Zijt met de Werelt niet gemeyn. Uw' scheuten, als der Paradijsen Granaten-booms met ed'le vrucht. Vw' kinder-planten geurigh rijsen, En sy vervrolijcken de lucht.

11. Wel lief! ghy springh-fonteyn der Hoven, Ghy levendige Water-put! Die als uyt Libanon van boven Besproeyt u Kruyden-hofs beschut. Laet waeyen uwes Geestes winden Van Noord en Zuyden, door het Hof, Op dat ghy komende meugt vinden Der ed'le vruchten rijcken stof.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.