Stem: Ach wat plagen! ontrou werdt nu hoogh gekroont.
ACh wat daghen! Vrienden van mijn weerde Vrient, 'k Moet het klagen, 't Gaet my door en door 't gebient: Want de jeuchden van het jongste-liefde-mael, En de vreuchden zijn te grof of ick te
schrael: Ick ghevoel van binnen, dat my in de sinnen is Liefde-treken, min-ghebreken maken dat ick my vergis.
2. Brenght de Flessen Van de Gheestelijcke Dorst, Datse lessen Mijn verlanghens herte-dorst. Laet de vruchten van den eeuwigh-levens boom My verluchten, en benemen al de schroom Ick ben kranck van liefde, mijne min tot heerlijckheyt Doet me spreken, ende smeken, slisset mijn begeerlijckheyt.
3. Laet de handen Van mijn Salichmaker beyd' Zijn als banden Om mijn hoofd en hert geleydt; Als een sincker onderstutte my het hooft, Sijne slincker, en s'en Rechter zy ghelooft.
Met h'er sterck omhelsen 't flauwe hert een steun te zijn, Dat mijn kermen heb ontfermen, sijne ruste zy de mijn.
4. Ondertusschen, Dochters van Ierusalem, Om te blusschen Mijne dorst, en liefde-stem, Ick besweer u, by de Hinden op het velt, En begeer nu, laet de liefden ongequelt, Dat haer niets en steuret, op en weck, noch watter maeck', Laetse rusten, tot haer lusten; laetse branden datse blaeck'.
Cookies on Poetry Cove