Skip to content
1650

Medenblicker scharre-zoodtje

Hendrick Jansz. Prins

Stem: Een schoon plantsoen boven allen.

LOf den Lover, eer den Eerder, Tot vergeldingh

toe-behoort; Lof, maeckt lovers, eere weerder, Liefd' set lievers liefde voort.

2. O Vriendinne, lieflijckheden Hebben u, die neder-seeght, Om tot mijnen lof te treden, Hert en mond' met een beweeght.

3. verss. 1Want gelijck een open Roose, Of een Lely in het dal Staen te Saron in het bloose, Soo geef ick een wel-geval.

4. Daerom ghy my komt te vooren By des werelts Dochteren, Als een Lely onder Dooren, Met uw' geurs ontnochteren.

5. Even als by wilde boomen Aen een open-luchtse-kant, Boven allen uyt-ghenomen Is een Appel-boom geplant.

6. Soo mijn Liefste by de Sonen Van de menschen boven sweeft; Ick heb grooten lust te woonen By het geen sijn schaduw' geeft.

7. Sijne vrucht als Honighraten Is van aenghename smaeck: Hy ontsteeckt de volle vaten Sijner Wijnen tot vermaeck.

8. En noch laet hy liefds-baniere Opgesteken, uyt-gestreckt, Over mijnen Ziele swieren, Die my, tot en aen hem treckt.

9. Op dan blijder maren Boden, Eygent my beloften toe, Van des Levens-boom, in nooden; Want ick lust, en weet niet hoe?

10. Ondersteunet met de Flessen, En met App'len my versterckt, Om mijn heyls-verlangh te lesschen Want de liefde kranckheyt werckt.

11. Van mijn Salighmakers handen Stutter eene my het hooft, d' Ander my omhelse; branden Laet de liefd', die 'k heb gelooft

12. O Jerusalemsche Docht'ren, Ick besweer u by den Rheen, By de Hinden; dat het tochtren Onser liefd' heb hinder geen.

13. Dat is mijnes Liefstes stemme, Springend', huppelend' hy komt Over Bergh en heuvel bremme, Dat ick niet en blijf verstomt.

14. Hy is als een Welp der Herten, Achter onse muur hy staet, Kijckt door tralien, O perten! Ia, de venster open gaet.

15. 'k Hoor geroep, Staet op Vriendinne, O ghy Schoone, kom tot my, Schrander op uw' hert en sinne, Siet de Winter is voor-by.

16. Plasse-regenen, ghevallen, Zijn al over, wegh-ghegaen. Sie de Bloemen, hoor het schallen Van de Tortel-duyven aen.

17. Sie de Vijge-boomse vruchten Staen gerist, getotst, gestopt, En de Wijn-stocks goede luchten Hebben reucken ingepropt.

18. Kom dan lieve, mijne Duyve, Gae niet langer in de kloof Van de Rotsen hene snuyven: Wacker, wacker in 't gheloof.

19. Toon my, toon my, uw' gedaente, Doe my hooren uwe stem, Daer is nu een vry ghebaente Van verdruckers diepe klem

20. Vangh de Vossen, kleyne Vossen, Waeck, en wraeck het sluyp-verderf, Van des Wijngaerts teere trossen, Datter geene jongh en sterf.

21. Ey! wel aen, mijn Lief is mijne Boven op de Lely-weyd', En ick wederom de sijne: Vlied' dan Werelt, Duyvel Scheyd'.

22. Dat de klare dagh genake, Dat de schaduws hene vlien. Kom mijn Lief, naer u ick hake, Werdt gelijck een Rhee gesien.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.