Skip to content
1650

Medenblicker scharre-zoodtje

Hendrick Jansz. Prins

Stem: Haest u mijn schoon vriendinne.

EEn willigh wel ghenoo-de Vrient, is wel haest een wisse gast. Ick in het Hof ontbo-de, Van u, mijn Suster, heb gepast Op uwe noodingh; heb gepluckt Mijn Mirh, mijn speceryen, Mijn Honighraten uyt-gedruckt Gegeten, ·//· met verblyen. ·//·

2. 'k Heb Wijn en Melck ghedroncken, Nu dan, O Liefste Vrienden, eet, Wordt droncken, 't is geschoncken, Tot geestelijcke vreucht besteet: Versadight en vervrolijckt u Met smakelijcke smaecken, En hebt een soeten voor-smaeck nu Van 't eeuwige vermaecken.

3. Wel eeten ende drincken Verweckt en slaep, en sluymeringh. Dat groote vreuchden mincken En is alhier niet sonderlingh. Hoe-wel mijn herte waeckt' ick sliep, Wanneer mijns Liefstens stemme, Die 't hert aen-klopte, tot my riep Doet op der vromen memme.

4. Mijn Duyve, mijn Volmaeckte, Mijn Suster, mijn Vriendin, laet in; Ghy van den slaep ontwaeckte, Brenght hier uw' maeghdelijcke min: Het hooft is my met dauw' vervult, Met nacht-drop mijne locken; Treck aen, hoe langh ghy wachten sult? Vw' uyt-ghetogen rocken.

5. 't Is, sprack ick, moeyt' bereeden, En sorgh, dat ick, die legh te bed', My weder soude kleeden, 't Is om een vuylen vleck gewed', Dat ick, gemack vreest ongemack, Met nieuws-gewasschen voeten Het stof, om u te volgen, strack Soud' we'er betreden moeten.

6. Doe trock, mijn Lief, sijn handen Wel drae, van 't gat der deuren, af, En my mijn ingewanden Ontroerden, rechte slofheyts straf! Op stond' ick, om hem op te doen, En siet mijn handen dropen Met Mirh', een teecken sijner soen, Mijn vingers zijn beloopen.

7. Op deed' ick, maer gheweken Was mijne Liefst', en door-gegaen, Van wegen sijne spreken Quam mijne Ziel benautheyt aen: Ick socht hem, maer en vandt hem niet; O straffe van 't vergissen! Ick riep, geen stem hy hooren liet, Hoe hard is 't gunst te missen?

8. Doe my de Wachters vonden Die omme-ginghen in de Stadt, Sy sloegen, sy verwonden, Mijn Sluyer hebben sy ghevat: 'k Riep, Dochters van Jerusalem, Kunt ghy mijn Liefste vinden? Ick bid', besweer u, segget hem Dat liefd' my wil verslinden.

9. Maer sy, O schoonst' der Wijven! My seyden, Wat 's uw' Liefste meer Dan and're? u bedrijven Dat gh' ons besworen hebt soo seer? Ick seyd', Mijn Lief is blanck en root, Die fijn baniere boven Tien duysent Heyligen, uyt-sloot, En op het hooghst' te loven.

10. Sijn hooft, sijn Godtheyts goetheyt, Als Goudt, dat fijn en dicht is, klinckt. Sijn hayr, sijn Menscheyts soetheyt, Krol, swart, gelijck een Rave, blinckt. Sijn oogen, d'opsicht der Gemeent', Der Duyven wel ghewascken, Gelijcken, oft' der Ring's gesteent', Gesettet in een kascken.

11. Sijn wangen haer verklaren Als speceryen bedden soet, Sijn lippen open-baren Het troost-gedrop, als Mirre-vloet. Sijn handen tuygen van de daet Als Ringen met Turkoysen. Sijn buycks secrete-raet, hy laet Als been met Sapphyr voysen.

12. Sijn schenckels, als Pylaren Van Marmor', gronden op het Gout, En sijn gestalten waren Als uytverkoren Ceder-hout. Sijn mondt, is enckel soetigheydt, Wat aen hem, is begeerlijck, Ick soeck hem met snel-voetigheyd', Als boven allen heer'lijck.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.