De dansende beer.
Bom, bom, dideldom!
Op en neer, danst de beer, -
Ziet hem exerceren!
De kameel staat stijf en stug,
Wijl weêr de aapjes op zijn rug
Druk zich amuseren.
Bom, bom, dideldom!
Beerendans ziet men thans
Zelden meer vertoonen;
Nu, het brommen van zoo'n beer,
Jaagde er ook zoo menig keer
't Bloed reeds uit de koonen.
Bom, bom, dideldom!
't Arme dier ziet zich hier
Pijnigen en plagen,
En wie zoo het dansen laat
En het schier te schande slaat,
Diende zelf geslagen.
Bom, bom, dideldom!
Woest en wreed, wie vergeet,
Dat een dier ook smart heeft;
En die 't doelloos kwellen kan
Toont, dat hij voor alles dan
Een boosaardig hart heeft.