Het hoogfeest der liefde.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt in 't rond! Eros, die uw harten wondde, Eros is nu zelf gewond.
Al wat leven heeft ontvangen Huldigt Aphrodite's zoon, Hij beheerscht de stervelingen En de onsterfelijke Goôn;
Oreaden en Najaden Knielen voor zijn outer neêr, Charitinnen en Godinnen Eeren hem als opperheer; Ook Athene moet erkennen, Dat hij 't hoofd der Goden is; Hij ontvlamt den kuischen boezem Van de roemrijke Artemis; Zelfs aan Zeus ontzinkt de donder, Als de knaap slechts vriendlijk lacht, En de woeste onstuimige Ares Buigt voor zijne ontembre magt.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt in 't rond! Eros, die uw harten wondde, Eros is nu zelf gewond.
Bergen, dalen, bosschen, meeren, Alles huldigt zijn gebied;
Hij doet aller borst ontgloeijen, Maar zijn borst ontgloeide niet. Millioenen, millioenen Heeft zijn pijltjen 't hart gewond, Welks verheven - zoete smarten Hij nog nimmer ondervond; Millioenen, millioenen Bukken voor zijn heerschappij, Hij ziet Goden voor zich knielen, Maar hij zelf bleef altijd vrij.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt in 't rond! Eros, die uw harten wondde, Eros is nu zelf gewond.
Psyche was een Konings dochter, Schoon als Amathusia, Lieflijk als de Charitinnen, Rein en kuisch als Delia.
Zij genoot Hygea's gunsten, Zij was Hebe's troetelkind, Van de Muzen, van de Horen, Werd zij teederlijk bemind. Zwierde zij door beemd en velden, Dan had Flora pracht noch schoon, En natuur had minder luister, Spreidde zij heur' glans ten toon. Alle wezens, die haar zagen, Onderwierp zij aan heur magt, Elk verzengde 't vuur der liefde, Elk verteerde in ijdle klagt. Nog had in haar' schoonen boezem Liefde geene zucht gebaard, En geen sterfelijke op aarde Was ook hare liefde waard.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes, Juicht en zingt en springt in 't rond! Eros, die uw harten wondde, Eros is nu zelf gewond.
Psyche is aan een bron gezeten, Die met stiller golfjes vliet, Nu zij aan het schoone meisje 't Helder vlak ten spiegel biedt. Zie, daar zweeft met Goden luister Aphrodite, jeugdig schoon! Zie, ze zijgt op de aarde neder Met haar' snelgewiekten zoon! Rustig klopt nog Psyche's boezem, Schoon zij de Edlen nadren ziet; Hoe! kent zij dan boog en koker, d' Onweêrstaanbren gordel niet? Ziet zij dan de kroon niet schittren? Niet het wapprend goudgewaad? Ja! zij voelt iets, beeft... wil vlieden, Ach! onnozle! 't is te laat. Aphrodite, steeds meêdoogend, Had aan Eros streng verboôn, Om de lieve niet te schaden, Want zij was zoo Godlijk schoon.
Doch de boog was reeds gespannen, Ach! de vuurge God der min Mikt op Psyche's schoonen boezem... En het pijltjen vliegt er in. Diep, helaas! zeer diep getroffen, Ziet ze nu der Goden magt, En gevoelt het wreedste lijden... Bitter schreit zij... Eros lacht. Cypris, op haar' zoon verbolgen, En geroerd door 's meisjes smart, Scheurt den pijl uit Psyche's boezem En... drukt hem in Eros hart. 't Bloed der schoone Konings dochter Mengt zich nu met Eros bloed, En in 't hart van Psyche en Eros Brandt een nooit gekende gloed.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt in 't rond! Eros, die uw harten wondde, Eros is nu zelf gewond.
Hoor! nu juichen bron en stroomen, 't Iö klinkt thans overal, Echo antwoordt: Iö! Iö! Iö juichen weide en dal. Zie, hoe bosch en velden groenen, Bloem bij bloem den kelk ontsluit, Horen, Gratiën en Nimfen Zwieren om de jonge bruid. Zie, de dartle Minnegoodjes Vlechten het geliefde paar Bloemfestoenen, geurge rozen En een' krans van mirt in 't haar. Eros voelt nu in zijn' boezem Liefde's onbegrijplijk zoet; Morgen bluscht hij in uwe armen, Psyche! zijn' onbluschbren gloed.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt en zwiert!
Laat nu 't schatrend Iö hooren, Daar de Liefde hoogtijd viert!
Morgen zal het hoogtijd wezen, Als de jonge lente ontwaakt, En in ieders vollen boezem 't Vuur der hoogste liefde blaakt. Morgen zal het hoogtijd wezen, Zie, hoe Eros smachtend wacht, Zie de bruid van schaamte blozen, Zie, hoe Aphrodite lacht. Morgen zal het hoogtijd wezen! Hymeneus! toef toch niet! Kom reeds, als met rozen vingren Eos bloem en plant begiet! Breng uw' heilgen fakkel mede! Licht en leid den God der min, Leid de bruid van uwen broeder Broederlijk ter bruidzale in! De echtkoets ademt balsemgeuren, Cypris heeft haar zacht bereid,
En een bed van rozenbladen Voor het minnend paar gespreid.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt en zwiert! Laat nu 't schatrend Iö hooren, Daar de Liefde hoogtijd viert!
Wie zou zich aan 't feest onttrekken? Aphrodite, Godlijk schoon, Noodigt allen, vriendlijk lagchend, Op het hoogfeest van heur' zoon. Alle Goden en Godinnen Zijn genood door Cythereê, Alle Charitinnen komen, Alle Nimfen komen meê.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt en zwiert!
Laat nu 't schatrend Iö hooren, Daar de Liefde hoogtijd viert!
Lieve maagden, herderinnen! Zijt voor Eros niet bevreesd! Morgen is hij niet gewapend, Morgen viert hij 't liefdefeest. Morgen draagt hij boog noch koker, Morgen heeft hij geen gebied, Zelfs Selene en haar gespelen Vrezen morgen Eros niet.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt en zwiert! Laat nu 't schatrend Iö hooren, Daar de Liefde hoogtijd viert!
Wie, wie kan het feest beschrijven? 't Hoogfeest van den God der min!
Al wat leven heeft ontvangen, Aarde en Hemel deelt er in. Aarde en Hemel zullen zingen Feestgezang op hoogen toon, U ter eere, zoon van Cypris! Jonge bruid, zoo Godlijk schoon! Alle Goden en Godinnen Dalen in hun feesttooi neêr, U ter eere, aanvallige Eros! Godlijk meisjen! u ter eer. Prachtig - schoon zal Flora wezen, Eeuwge lente zweeft om haar, Bloemenrijk zal zij verschijnen, U ter eere, Godlijk paar! Roos, Narcis en Hyacinthen Wasemen hun geuren uit, U ter eere, God der liefde! U ter eere, schoone bruid!
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt en zwiert!
Laat nu 't schatrend Iö hooren, Daar de Liefde hoogtijd viert!
Spoed u, Foibos! drijf uw rossen! Rust niet lang, verkort den nacht! Denk, dat Cypris zoon verlangend Op de komst van Eos wacht! Morgen zal het hoogtijd wezen, Blusch op andren tijd uw' gloed! Eros en de schoone Psyche Smaken morgen 't minnezoet. Wie, wie kan het feest beschrijven? 't Hoogfeest van den God der min! Al wat leven heeft ontvangen, Aarde en Hemel deelt er in. Wie, wie kan het feest beschrijven? Knapen! meisjes! komt en ziet! Liefde viert het feest der liefde... Schooner hoogtijd is er niet.
Juicht nu knapen, juicht nu meisjes! Juicht en zingt en springt en zwiert! Laat nu 't schatrend Iö hooren, Daar de Liefde hoogtijd viert!
Tooit u knapen, tooit u meisjes! Siert, bekranst uw jeugdig hoofd! Spoedt u, ziet ge niet dat Foibos Reeds zijn gloênden fakkel dooft? Ja, hij vleit zich reeds ter ruste, Maar hij zal, op Eros beê, Spoedig op het feest verschijnen, En de blonde Thetis meê. En Seleen', die wacht en zorgen Mindre lichten overlaat, Schoeit zich reeds met zilvren brozen, Tooit zich reeds in praalgewaad. 't Blonde haar, gesnoerd in vlechten, Golft om hals en schouder heen, 't Kleed, uit lelien geweven, Wappert langs haar blanke leên.
Eos wordt in gloeijend purper En in schittrend goud getooid: Alles gloeit van goud en purper, Zulk een uchtend rees er nooit!
Tooit u knapen, tooit u meisjes! Schoeit uw' voet, bekranst uw haar; Heel natuur zal 't hoogfeest vieren Van het schoon en Godlijk paar! Morgen klinkt het: Iö Péan! Morgen zingt ge en springt en zwiert, Morgen juichen aarde en Hemel, Als de Liefde hoogtijd viert.
Cookies on Poetry Cove