Bij het geboortefeest van Hare Koninklijke Hoogheid, Nederlands souvereine vorstin.
(Plegtig gevierd op den 18 November 1814.)
Zoo de Godheid hier beneden In den kring van menschen troont, 't Is dan in het huislijk eden, Waar de vreê des hemels woont; Waar de harten teeder blaken, Ieder vreugde dubbel smaken, Waar de troost van 't rein gevoel Ieder smarte zachtkens lenigt, En waar allen zijn vereenigd Tot het eigen edel doel.
Ja! hier mag ons harte gloeijen, Hier verheffen we onzen geest; Twijf'lend wat ons meest kan boeijen, Bij een teeder huislijk feest: De achtb're man, die, 't hart naar boven, 's Hemels milde gunst mag looven? Of de traan der echtvriendin? Of der kleenen schuld'loos spelen? De eenvoud van die feesttooneelen? Of de liefde van 't gezin?
Alles, alles moet ons roeren! Doch de liefde zal gewis Ons tot heilige aandrift voeren, Als het moeders feestdag is: Ieder brengt haar dan geschenken, Ieder doet dan, op haar wenken, Wat haar welgevallig scheen; Zelfs de kind'ren staken 't spelen, Om in moeders vreugd te deelen, Scharen zich om moeder heen.
Wij ook, dankb're kind'ren, scharen Ons om Neêrlands Moeder heen; 't Oog mag op haar' liefde staren, 't Hart verheft zich in gebeên! Moeder! zie ons plegtig nad'ren! Liefde gloeit in borst en ad'ren! Liefde heiligt ziel en geest! Mogt uw goedheid thans gehengen, Dat we u heel ons harte brengen, Als een offer op dit feest!
Ja! heel Nederland zal vieren 't Feest van Neêrlands eerste Vrouw, Die haar' schedel ziet versieren Met een' krans van liefde en trouw! Stouter dichter moog' haar prijzen, En den Godentoon doen rijzen, Die verrukt, en treft, en boeit; 't Is vergeefs - 't gevoel te prangen, 't Bruist en stort zich uit in zangen, Zangen, waar het hart in gloeit!
'k Zag haar' liefde, 'k zag die blaken Voor het volk en voor den Vorst; Liefde, die hem ligt zal maken Lasten, door zijn' moed getorscht; Liefde, die verheven praalde, En met zachte glansen straalde, Koest'rend mijne vaderstad: Niemand, wat zijn' borst ook griefde, Die niet bij den gloed dier liefde Eigen vroeger leed vergat.
Groeningen! uit groene weiden Hieft ge omhoog het achtbaar hoofd, En ge mogt een' glans verspreiden, Die der steden glans verdooft, Toen der wetenschappen luister Zegevierde op nacht en duister, 't Licht der kunsten schitt'rend blonk; Toen in uwe feesttooneelen Ook Oranje wilde deelen, En die feesten luister schonk;
Toen Minerva's koor zijn' glorie 't Volk al jub'lend hooren deê; Aa met Hunse haar' viktorie Deelde aan Eems en Lauwers meê; Toen men markt en plein en wanden Groenen zag als lustwaranden, Heel de stad één tempel scheen, Uit wiens jubelende muren De offervlam der heil'ge vuren Steeg ten hoogen hemel heen;
Toen wij u daar welkom groetten, Vader van het vaderland! En ons oog Haar mogt ontmoeten, De eer en 't sieraad van haar' stand; Haar, uw' liefde, uws levens leven, Die u werd ten troost gegeven, Met u d' alsembeker dronk, Met u zuchtte om Hollands kluister, Met u juicht om Hollands luister, Pruissens glorie, Neêrlands pronk.
Ja! toen mogt gij schitt'rend pralen, Stad van wetenschap en kunst! Opgeluisterd door de stralen Van Oranjes milde gunst, Blonkt gij, als weleer Athenen, Door het hemelsch licht beschenen Van haar' heil'ge Schutsgodin; En, bij al dien glans en luister, Boeide een onverbreekb're kluister 't Hart aan Neêrlands Rijksvorstin.
Neen! dat hart zal nooit vergeten, Ed'le Vrouw, dien heil'gen stond, Toen ge, aan 's Vorsten zij' gezeten, Zuchten naar den hemel zondt! Ieders oog, op u geslagen, Scheen verlegen u te vragen, Of nog leed uw' borst bewoog? Ach! toen zagen we, in ons midden, U voor 't heil van Neêrland bidden, Met een' traan in 't lagchend oog.
Dit tooneel, dat eerbied wekte, Blijft ons eeuwig voor den geest: Door uw' liefde, o Onbevlekte, Vierden wij een heilig feest! Heilig? ja! de Vorst - een vader, Neêrlands redder, roem en rader; Gij - een moeder zacht en teêr, Lievende, en geliefd van allen... o! God zag met welgevallen Op zoo schoon een schouwspel neêr!
Ja, uw liefde, zoo verheven, Heeft ons aan haar schoon geboeid, En uw heerlijk bloeijend leven 's Dichters vrijen geest ontgloeid! Zoude uw hart hier hooger zangen, Stouter kunst en zwier verlangen? Neen! een volk ligt knielend neêr! Heel een volk, in 't hart bewogen, Smeekt voor u het Alvermogen.... Neen! uw hart verlangt niets meer!
Wat voorheen uw' boezem griefde, Thans bestraalt u hemelvreugd, Vrucht van uwe teed're liefde, 't Loon voor uw' verheven deugd: Zie, zie aller geestvervoering! Zie uw kind'ren, vol ontroering! Zie de blijken van hunn' min! Ja! de Vorst is hun behoeder, Gij, Vorstin, zijt aller moeder! Nederland is één gezin!
Ja! de vader heeft vergeven, En de liefde woont er weêr! Wij zijn één in wensch en streven; Niet verdeeld, gelijk weleer, Maar gelouterd door de woeling; Aller hart heeft één' bedoeling, Volk en Vorst zijn lotgemeen. Schitt'rend tijdvak der historie! Nu zijn bloei en glans en glorie Van Oranje en Neêrland één!
Edel sieraad van Germanje! Keurbloem, die u hecht en kleeft Aan den stam van 't fier Oranje! Met zijn sappen groeit en leeft! Mogt met hem de orkaan u treffen, Ook met hem moogt ge u verheffen, En, terwijl we, op Neêrlands grond, In zijn' schaduw veilig rusten, Zal uw bloei ons oog verlusten, Spreidt ge uw geuren in het rond.
Groei en bloei steeds ongeschonden Met den boom, die welig wast! Blijf, blijf met dien boom verbonden, Klem dien in uwe armen vast! Slinger om zijn' stam u henen! Moge uw pracht hem sieraad leenen! Dat zijn breede kruin u dekk', En, zich heffende in de wolken, Bij al de omgelegen volken Eerbied en bewond'ring wekk'!
Rijs, verhef u, boom, zoo edel! Bloei en streel ons, bloem, zoo schoon! Prijkt en praalt door kelk en schedel, Bloesemtooi en bladerkroon! Meer nog door de frissche loten, Bloeijend uit u voortgesproten, Reeds verheven door haar' stand! Bloeit de puikstam van Oranje, Met de keurbloem van Germanje, Dan ook bloeit het vaderland.
Cookies on Poetry Cove