Skip to content
1710

Den Vlaemschen papegaey

H. Vijfderley

(voys) Van den Toren van Mechelen, Of van ’t Flerecijn:

I. AH, O menschen! die hier leven, Wilt u sinnen nu begeven

Tot gepeys, tot gepeys Van de zielen dese reys. Wy u roepen in tormenten, Wilt togh in u herte prenten Onse pijn, onse pijn, Die niet kan begrepen zijn. 2. Wilt ontfermen, wilt ontfermen Onse pijnen, en ons kermen Dese ty, dese tij, Ten minsten mijn vrienden gy: Want die schromigh Hant des Heeren, Heeft geraeckt ons dese keeren, En wy zijn, 2. In een alderfelste pijn. 3. Siet wy branden, en wy blaecken, en van allen kant ons naecken Vlam, en vier, 2. In dat schroomigh Vagevier? En wy liggen hier soo lange Schromigh heer, en schroomigh bange, Lanck alhier, 2. In dat schromigh vagevier. 4. Sint Laurens, die wiert gebraden, Op de gloyend’ roosters raden, Sijne pijn, 2. Magh niet vergeleken zijn, By het roosten, by het branden, By die vlammen, die aenranden Ons alhier, 2. In dat schroomigh vagevier. 5. Dat gy saeght u honden branden Gy saudt leenen uwe handen,

Om alsdan, 2. Hun te trecken uyt de vlam; En wy zieltjens sijn u vrienden, Die u eertijdts seer beminden, En oock nu, 2. Wy noch seer beminnen u. 6. Ah mijn kinders, lieve panden, Ah bemerckt ons schromigh branden Ah ons helpt, 2. En ons swaere pijnen stelpt. ‘k Ben u Suster, ‘k ben u Broeder, Ah mijn kint, 2. ‘k Hebbe u hier soos eer bemindt. 7. Gy kont lichtelijck ons helpen, Ende light ons pijnen stelpen, Missen doet, 2. Ah dit is ons seere goet, En aelmoessen te besteden, Ende vasten, en ghebeden Is ons goet 2. En ons pijnen seer versoet. 8. Grooten Godt, goeden Vader Weest bermhertigh altegader Zieltjens goet, 2. Gekocht met u Dierbaer Bloedt. Geeft, O Godt! hun eeuwigh ruste, ’t Eeuwigh light en welluste Hun verschijn, 2. Ah verlost hun uyt de pijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.