Vers: 6.
Ende terDatis, ter dyre van ons sterven; die aen yder mensche vertoont den Iongsten Dag des Groten Oordels; die de sters-uyre ons oock waerlick is: Want, soals een yder hier sterft, sal hy namaels oock weder verrysen; het sy tot het Eeuwig Leven, os hy met waren Golove sterft; of tot de afgryselicke vordoemenisso, so hy ongelovig uyt dit leven schey dt. middernacht werde daer een geroep gehoort: Siet, de Bruydegom komt: Gaet uyt, Hem te gemoete.