Stemme: {Plaude laetabunda tellus, oft{Dormi fili, oft{Nu mijn Bruydt mijn lief wilt comen, oft{In het soetste vande Maye.
1. Heyligh Geest comt met u stralen!
En verlicht ons herten all’,
Wilt op ons al neder dalen
In dit droevigh tranen dall’.
Wilt ons geven dat wy leven,
Naer u leeringh oversoet,
Doet ons sinnen u beminnen
Boven alle aertsche goet.
2. Comt nu woonen in ons Zielen,1. Cor. c. 3.
En laet die u Tempels zijn,
Soo en kan ons niet vernielen,
Hier des weerelts boosch venijn,
Laet u stralen, op ons dalen,
En verlichten ons verstandt,
Steckt ons herten, naer begerten
Met u vier gansch inden brandt.
3. Doet u liefde in ons groijen,
En verdrijft den haet en nydt,
Doet ons in u deughden bloijen,
Heyligh Geest gebenedydt,
Ghy wilt woonen, by die thoonen,
Dat sy minnen u alleen,
Met v wesen, seer gepresen
Mach geen booscheyt zijn gemeen.
4. Herten kenner, Geest verwecker,
Onsen Trooster in den noodt
Nacht verjager Zielen trecker
Heyligh Geest van ons de Doodt,
Wilt verdrijven, dat wy blijven,
In u liefde vast geplant.
Al ons krachten, en gedachten,
Door u liefde steeckt in brandt.
5. Glori moet u zijn o Vader!
Glori zy u eenigh Soon
Glori Heyligh Geest te gader
Neemt in ons al uwe woon:
Want u wooningh, is ons looningh,
Boven alle blijschap hier,
Doet verdwynen al ons pijnen
Door u hemelsch Heyligh vier. Amen.