Skip to content
1660

Den gheestelycken Orpheus

Gaudentius Loemel

Stemme: {Blijschap van my vliedt, Ofte{Soo daer ymandt vraeght, Oft{Als een eenigh kindt. 1. Siet o menschen hier! Alle mijn pijnen, In het eeuwigh vier, Die nimmer verdwijnen, Daer ben ick door ‘t quaet, Droevigh toe gecomen, Sonder onderlaet, Moet ick altijdt schroomen, Altijdt ist hier nacht Noyt men hier en lacht, Siet eens wat een groot verdriet, Klaegh ick klaght op klaght ‘T wordt al niet geacht, Hoort eens aen mijn droevich liedt, Och hoe is my soo banghen! Nu word’ ick eens gehanghen, Dan weer op een radt geleydt, Dan ben ick gansch omvanghen, Met padden ende slanghen, Dan oock aen den spit gedraeyt. 2. Dit doet Hooverdy,

My nu soo beseuren, Giericheyt daer by Doet my nu soo treuren. En oncuysheyt vuyl, Heeft my soo ontsteken Dat nu met gehuyl, All’ mijn leden breken. Nydigheyt my hier, Brocht tot sulcken vier, Daer by Gramschap overgroot Met raes, en getier Door quaede mannier, Ioegen my ter hellen snoodt Dus moet ick altijdt kermen Daer en is geen ontfermen, In de diepte daer ick schuyl, Daer en valt geen beschermen Als inden brandt te wermen Van den droeven helschen kuyl. 3. Gulsicheyt die heeft. My soo in geswolgenn, Als ick heb geleeft, In myn lust te volgen Traegheyt tot myn Godt, Doet my nu bekoopen, Dat my in dit kot, Wreede beulen stroopen Quade Geesten all’, In een groot getall’. Doen my aen de grootste pijn,

Hoort mijn droef geschal, In ‘t peck nedervall’ Derven moet ick Godts menschen, Apocal. c. 21.Solpher in mijnen monde, Ach wierdt ick eens verslonde Door alle dit groot torment; Maer men wordt noyt ontbonde, Al gaen ick oock ten gronde, Met menigh venijn serpent. 4. Wachtet Menschen wel, En wilt sonden schouwen, Off de droeve Hell’, Sal u oock benouwen, Spiegelt u aen my, In al dese smerten, Op dat ghy gaet vry, Breeckt al uwe herten: Want hier geen torment, Sal oyt nemen endt Maer in vlammen als ghy siet, Met droefheyt belaen, Hoort ghy op my slaen, Ach! Ach! wat droevigh liedt! Altijdt hier inde banden! Oock met gevrongen handen, Nimmermeer en is hier rust Matth. c. 8.Maer krysselingh der tanden! Altijdt! och altijdt branden! Noyt wordt ons vier gheblust,

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den gheestelycken Orpheus · Gaudentius Loemel · Poetry Cove