Stem: O lyden en pijn! droefheyt is mijn. Al waert dat mijn, de Godt Iupijn, Of yemandt vande Goden, Haer glants, of schijn, of gants haer sijn Van Godlijckheydt aenboden, Dat ickse mocht verkiesen, En ick u most verliesen, Ick gingh tot haer met dese reen,
Ick blijf veel liever hier beneen In mijn aremoedt opter aerden, In bekommeringh, en verdriet, Eer ick wouw die last anvaerden, En hebben daer mijn liefste niet.
2 Of lieten sy, de toom eens vry Van 't Koninghlijck ghebieden, En gheven my, de heerschappy Van Landen en van Lieden, Dat ickse most beheeren Dat souw ick wel begeeren, Niet om rijckdom, Landt noch gelt, Niet om aensien noch ghewelt, Niet om scepters noch om kroonen
Noch om al het werelts goet, Maer om dat ick u sou toonen Mijn gunst, en grootheydt van ghemoet.
3 Ick sou de lien, wel grootsch gebien V achtbaerheyt te eeren, Op bloote knien, u doen ontsien By Princen, en by Heeren, Ick souw der Keyseren Vrouwen, Voor u staet-dochters houwen, Mijn Koningen de grootst' van lof, Die souden u steets in mijn Hof Met eerbiedicheyt gheleyden, En setten in u setel sacht, Die ick eerst sou doen bereyden
Met de kostelijckste pracht.
4 Van Elpen-been, vol vremdiche'en Soud' ick u troon doen maken V vloer bespreen met ed'le kle'en, Van Turcks, en goude laken, Met beelden en met bloemen So schoon alsmen kan noemen. Ick sou bewysen door u dracht, Hoe dat ick u deuchden acht, Hoe dat ick u hooghe zeden Meer bemin als 't lieve gout, Dat ick rustich sou besteden, Daer, en waer ghy 't hebben wout.
5 Maer 'k weet dat ghy gheen hovaerdy
Hebt in dees malle dinghen, Oock draech ick bly, meer goets by my Als al de Hovelinghen, Al sijn sy rijck van goede, Ick ben 't in den gemoede: Ick weet wel liefje datje weet, Dat onder een verwurpen kleet Wel wat grooters kan verschuylen, Als zijn meerder wel vermoet, En datmen vaeck wel slechte uylen, Hier bevinden seer begoedt.
Cookies on Poetry Cove