Stem: Si tanto Gratiose. Ghekroonde Keyserinne, Veroverers der snedichste verstanden, Die d'alderkoutste sinnen Slechts met een wenck doet blaeckeren en branden, Ghy die bespringht, En 't leeger dwinght Der Menschelijcke krachten.
Ghy schrickt de volcken Met dese stomme tolcken, Der ghedachten.
2 O overgoude sonne! Geen sterflijck ooch kan u gesicht verdragen, Een yder geeft verwonnen, Als weerloos hem gevanghen en geslagen, Wie niet en vlucht, Moet met een sucht, Sijn sieltjen stracx op geven, De wel ghesienste, Die acht veel meer u dienste, Als syn leven.
3 Ick sie de gulde waghen
Met u gepronckt, met Cranssen van Laurieren, Daer achter komen klaghen, Veel slepen van geboeyde Batavieren, De eelst van bloet, De grootst van moet, De alder preuts van allen, Comt met ghebede Vwe genadichede Te voet vallen.
4 De doorluchtichste Geesten, Daer Nederlandt groothertich op mach roemen, Die offeren u geen Beesten Noch Stieren wit, verciert met gout en bloemen. Maer Vaersen soet
Dat u gemoet Sich niet genoech verwondert. Mits sy die slachten Op 't Altaer der gedachten, Meer als hondert.
5 Ghy acht noch vuyr noch bylen, Noch roomsche pracht, noch heydensche manieren Ghy wilt wanden noch stylen, Met Schilt noch Helm van u verwonnen cieren, Noch Vaen, noch Lans, Noch Croon, noch Crans, En steldy op u Vesten. Maer ghy doet stichten De eerelijckste dichten Vande besten.
6 Verwinster op ghebeden, Wanneer ick laest sou in u handen stellen De sleutels vande steden, Laes! van mijn siel, ick kent u niet vertellen, Want dan ick souw, O brave Vrouw! My gheven als gevangen. Och! aen de tipjes Van u lieve lipjes Bleef ick hanghen.
Cookies on Poetry Cove