Stem: Als ick uyt wandele ga, &c. WAT baat u de voochdy van Landen en van Steen? En't prachtighe ghebouw vol duure kostel-heen, Daer ghy in woont verseldt met princelijcke stoet, Als ghy des nachts allen in 't bedde slapen moet?
2 Wat baat de groote sleep der Ioff'ren blanck en bly?
En't Vorstelijck gevolch der Princen groot en vry? Wat baat dat yeder u als Godd'lijck bidt en groet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?
3 Wat baat dat ghy een myl van Musck en Amber rieckt? En dat ghy leckerlijck met Wijn zijt op gequieckt? En dat de dertelheyt u jonckheyt heeft gevoet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?
4 Wat batet of ghy schoon uyt gulde vaten eet? En dat ghy aanden disch de hoochste plaets bekleet? En of u al de lust vaeck kittelt, sacht en soet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?
5 Wat baat de schoonheydt die ten ooghen uyt u blinckt
So edel, dat de Son, de gulde Sonnesinckt, En deckt sijn glansich hooft met purper en swart bloet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?
6 Wat baat dat u verstant so wijs is en geleert, Dat al de werelt dat verwondert acht en eert? En dat de Fame u onsterflijckheyt aen doet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?
7 Behalven al de vreucht, soo slaeptmen soet en warm, Ick wensch geen meerder schat, als mijn lief in den arm: Ghy sijt de armste mensch, al sydy rijck van goet, Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?
Cookies on Poetry Cove