Skip to content
1621

Geestigh liedt-boecxken

G.A. Bredero

Stem: Als ick uyt wandele ga, &c. WAT baat u de voochdy van Landen en van Steen? En't prachtighe ghebouw vol duure kostel-heen, Daer ghy in woont verseldt met princelijcke stoet, Als ghy des nachts allen in 't bedde slapen moet?

2 Wat baat de groote sleep der Ioff'ren blanck en bly?

En't Vorstelijck gevolch der Princen groot en vry? Wat baat dat yeder u als Godd'lijck bidt en groet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?

3 Wat baat dat ghy een myl van Musck en Amber rieckt? En dat ghy leckerlijck met Wijn zijt op gequieckt? En dat de dertelheyt u jonckheyt heeft gevoet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?

4 Wat batet of ghy schoon uyt gulde vaten eet? En dat ghy aanden disch de hoochste plaets bekleet? En of u al de lust vaeck kittelt, sacht en soet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?

5 Wat baat de schoonheydt die ten ooghen uyt u blinckt

So edel, dat de Son, de gulde Sonnesinckt, En deckt sijn glansich hooft met purper en swart bloet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?

6 Wat baat dat u verstant so wijs is en geleert, Dat al de werelt dat verwondert acht en eert? En dat de Fame u onsterflijckheyt aen doet Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?

7 Behalven al de vreucht, soo slaeptmen soet en warm, Ick wensch geen meerder schat, als mijn lief in den arm: Ghy sijt de armste mensch, al sydy rijck van goet, Als ghy des nachts alleen in 't bedde slapen moet?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.