Skip to content
1621

Geestigh liedt-boecxken

G.A. Bredero

Stem: Cupido gheeft my raet, &c. Hier legg' ick af-gheslooft, Ick Amsterdam vol treuren, En kan mijn treurigh hooft Door 't kermen nauw opbeuren: Om dat my komt versteuren

Een heymelijck verdriet, Want die ick was te veuren, Och die ben ick nu niet.

2 Mijn Susters, Delf en Dort Hoe meuchdy mijn so vraghen Wat dat my let of schort? Of wat my dus doet klaghen? Het sijn de bittre plaghen Die in my sijn gheteelt, Om dat ick niet kon draghen, Mijn aenghebooren weeld.

3. Die in weeldt is ghewendt, En in armoed moet keeren, Die smaackt de swaarst' ellendt,

't Versoeck met smart doet leeren: Mijn kind'ren waren Heeren Gheacht, en seer ghe-eert: Sy volchden haer begeeren, 't Welck haar en my nu deert.

4 Hoe dick heb ick er-kauwt Dees mijn bedruckte krachten: Hoe dick was ick benauwt In die donckere nachten, Wanneer mijn kinders brachten Haar ghelt onsinnich deur, En ick most sitten wachten Gantsch vruchteloos na heur.

5 Ick krijt myn ooghen uyt,

Ick moet met wee uytroepen: Hoe sy heur Sondach duyt Verquanslen en versnoepen, An Iotthoon, en an Poepen, In kroech, in kuf, in kot, Of somwijls in die stoepen, Door hoere liefde sot.

6 Als die vermoeyde straat Wat ruste waant te grasen, Menich kroes onverlaat Ontweckt haer, door het rasen, Wanneer dees stoute dwasen Stribblich bevecht de wacht, Of bruyckt op broosche glasen

Haer onbekende macht.

7. Doen konnen Herbergiers, Glaas-makers, Medecynen, Pock-meesters, en Barbiers, Wel wat te winnen vynen: Want als d'hetsighe wynen Gheklautert sijn in 't hooft, Wert de Mensch sonder pynen Van sijn verstant berooft.

8. Die soo reuckloos versluymt Mijn sorrich-rijck besparen, Eng ick zijn wije ruymt, En leer hem nu bewaren, Ia tuchten, en bedaren

Door een Heylighe-wech, Of, siet, ick laetse varen Maar eens na Indien slech.

9 Wel Haerlem, waerdtste Sus, Wat doet u so mees-muylen, Noost u mijn kommers dus? Dat belch ick my met prulen: Mijn roode ooghen puylen Door mijn schuerend' gheween, Als ick lach, sult ghy huylen, Dat leyt my op mijn leen.

10 Medoghend' ick beklaech Mijn Susterlingh verheven, Siet die bedroefde Haach

Schijnd te lillen en beven, Om dat sy heeft gegeven De middel tot haar smart, Haar kinders wilde leven, Verdruckt haar moedigh hart.

11 Al die gelycke leyt Met my hier moet besueren, Werden van my beschreyt; Besonder mijn Nabueren, Wild uyt mijn droefheydt pueren Een voordeel en een vreughd: De ionge Ieughd wild stueren Met reden tot de deughd.

12 Om dat ick t'Amsterdam

Haar niet en gingh bedillen, Maar al myn vreughde nam In haar brood-droncken grillen, Tot haer dertele willen Myn sotheyd geld toe-gaf; Nu lyd ick na 't verspillen, De recht-verdiende straf.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Geestigh liedt-boecxken · G.A. Bredero · Poetry Cove