Skip to content
1621

Geestigh liedt-boecxken

G.A. Bredero

Stem: O waerde soete lieveken! Ghy Maechden en Iongelinghen, In stede van yet quaets, So hoort mijn droevich singhen, En geeft de reden plaets V spiegelt, o mijn Maets! Met wien ick plach te swerven In grondeloos verderven,

Als woeste onverlaets.

2 Die volcht, en dient sijn lusten Die wert met my geplaecht, En sonder tijttelijck rusten Van sijn schult-worm geknaecht, Och! dat my heeft behaecht, Des werelts ydelheden Die Godts ghebodt, en reden Wt ellick bant en iaecht:

3 Ick plach wel eer te wesen, Bly-geestich, en verheucht, En heb alsints gepresen, De schijn-vluchtige vreucht, Dies ick oock al mijn ieucht

Door 't al te licht bekoren, In dwaesheyt hebt verloren Soo ghy aenschouwen meucht.

4 In 't luchtich singhen, en springhen Heb ick my vaeck verblijt, In niet-waerdige dinghen Heb ick myn seer verblijt; Mijn kostelijcke tijdt Heb ick tot quaet begeven, Dies 't beste van mijn leven De wraeck der straffe lijdt.

5 Wijn, lust, en wil van Vrouwen, Het werelts suycker soet, Die 't innerlijck aenschouwen,

Ist gal en bitter roet: Verdwaest is sijn gemoet, Die om so snoode dinghen Versuymt, en laet ontspringhen Het alderwaertste goet.

6 Wat mijn lief plach te schynen, Is mijn nu dootlijck leydt. Mijn quellingh eet met pynen Mijn Rif, en ingeweydt; Mijn siel haer nu bereydt, Om d'aertsche vrolijckheyden Te schiften en te scheyden, Wt al mijn sinlijckheydt.

7 O Mensch! wilt aen mijn leeren

Hoe dat die boosheyt snoot, Godts goetheyt Kan verkeeren, In rechte gramschap groot Mijn iammerlijcke noot, Doet my bedroefde Mensche So menich-maele wensche Na die verlanghde doodt.

8 Ick verwacht met verlanghen De doodt, die ellick vreest, Met schricken te ontfanghen, Maer mijn benauwde gheest; Die voormaels heeft gheweest Verheucht in sotternijen, Verhoopt sich te verblijen

Na dit mijn leven meest.

9 Ghy die met schreyen, klaghen Geweenen mijn verdriet. En die met een behaghen V wellust daar aensiet. Of singhers van dit liedt, Leert door mijn droeve klachten V doch voor doolen wachten, Eer u dit oock geschiet.

10 O ionckheyt wilt aenmercken! Met Godts vrees en aendacht V seer onsuyvre wercken, Door lust des vleeschs volbracht V loopen dach en nacht.

Vermaent en sticht malkanderen, Wie sich spieghelt aen anderen Die spiegelt hem wel sacht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.