Stem: O waerde soete lieveken! Ghy Maechden en Iongelinghen, In stede van yet quaets, So hoort mijn droevich singhen, En geeft de reden plaets V spiegelt, o mijn Maets! Met wien ick plach te swerven In grondeloos verderven,
Als woeste onverlaets.
2 Die volcht, en dient sijn lusten Die wert met my geplaecht, En sonder tijttelijck rusten Van sijn schult-worm geknaecht, Och! dat my heeft behaecht, Des werelts ydelheden Die Godts ghebodt, en reden Wt ellick bant en iaecht:
3 Ick plach wel eer te wesen, Bly-geestich, en verheucht, En heb alsints gepresen, De schijn-vluchtige vreucht, Dies ick oock al mijn ieucht
Door 't al te licht bekoren, In dwaesheyt hebt verloren Soo ghy aenschouwen meucht.
4 In 't luchtich singhen, en springhen Heb ick my vaeck verblijt, In niet-waerdige dinghen Heb ick myn seer verblijt; Mijn kostelijcke tijdt Heb ick tot quaet begeven, Dies 't beste van mijn leven De wraeck der straffe lijdt.
5 Wijn, lust, en wil van Vrouwen, Het werelts suycker soet, Die 't innerlijck aenschouwen,
Ist gal en bitter roet: Verdwaest is sijn gemoet, Die om so snoode dinghen Versuymt, en laet ontspringhen Het alderwaertste goet.
6 Wat mijn lief plach te schynen, Is mijn nu dootlijck leydt. Mijn quellingh eet met pynen Mijn Rif, en ingeweydt; Mijn siel haer nu bereydt, Om d'aertsche vrolijckheyden Te schiften en te scheyden, Wt al mijn sinlijckheydt.
7 O Mensch! wilt aen mijn leeren
Hoe dat die boosheyt snoot, Godts goetheyt Kan verkeeren, In rechte gramschap groot Mijn iammerlijcke noot, Doet my bedroefde Mensche So menich-maele wensche Na die verlanghde doodt.
8 Ick verwacht met verlanghen De doodt, die ellick vreest, Met schricken te ontfanghen, Maer mijn benauwde gheest; Die voormaels heeft gheweest Verheucht in sotternijen, Verhoopt sich te verblijen
Na dit mijn leven meest.
9 Ghy die met schreyen, klaghen Geweenen mijn verdriet. En die met een behaghen V wellust daar aensiet. Of singhers van dit liedt, Leert door mijn droeve klachten V doch voor doolen wachten, Eer u dit oock geschiet.
10 O ionckheyt wilt aenmercken! Met Godts vrees en aendacht V seer onsuyvre wercken, Door lust des vleeschs volbracht V loopen dach en nacht.
Vermaent en sticht malkanderen, Wie sich spieghelt aen anderen Die spiegelt hem wel sacht.
Cookies on Poetry Cove