Stem: Ick ly in 't hart pijn ongewoon. O Godt! stiert in mijn slechte siel, Doof van gedachten God'lijcke krachten,
En wilt my, die voor u Heer kniel, Noch oock mijn klachten, Doch niet verachten; V maecksel selfs bereydt tot bidden Heere! Dat ick met nederheyt V hooghe Majesteyt Eerbiedich eere.
2 O Heer! die voormaels hebt gesticht De Firmamenten, En groote tenten, Van 't Hemel-Hof, en 't lichte licht Dat uyt Orienten Na sijn ghewenten Soo triumphant verrijst, in den daegh'rade.
Mijn hardt u goetheyt prijst Die ghy so milt bewijst, Aen goed en quade.
3 Leert my u Lof-sangh Heer, met rijm Cierlijck op smocken, En wel gelocken: O Vader! die uyt bloet en slijm My hebt getrocken; Wilt doch verrocken Mijn harte van het boos, en sot verkiesen, Waer door wy Menschen broos So wilt als rueckeloos Ons heyl verliesen.
4 Ghy hebt ons Heer van water, vuyr, Van doot van leven
De keur gegeven. Maer laes! het oordeel valsch doet hier V schepsels sneven, Die 't quaet na streven. O wat bedroefder saeck! ist voor ons allen Dat wy om schijn-vermaeck; Soo menichmael, so vaeck In sonden vallen?
5 Van al, die op der Aerden-kloot, In sonden viellen: Noch noyt en hiellen V Wet, en wasser gheen soo snoot Als dese siele! Daer noch in kriele En grim'len bol en dick, veel qua gebreecken:
So dat ick Hier verschrick So menich reys als ick V aen wil spreecken.
6 Ick heb u werck te seer bemint; Och ick verkeerde! Ick af-goddeerde Met lust aen 't tijt'lijck goedt verblint, Dat ick begeerde, Ia prees en eerde Meer als mijn salicheyt, O blinde kennis! Die sonder onderscheyt Mijn willen hebt verleyt In alle schennis. G. A. BREDERODE. 't Kan verkeeren.
Cookies on Poetry Cove