Skip to content
1621

Geestigh liedt-boecxken

G.A. Bredero

Stem: Mijn hart versucht, eylaes, &c. Aenschout, o Heer mijn hart! en wild dat eens vervormen: Bereyt mijn na u wil, monstert uyt mijn het quaet, Comt hellept mijn, o Godt! verwinnen en bestormen Den loosen Sathan, die mijn salicheyt seer haet.

2 Een duysent kunstenaer, is dese die met listen Flucks met sijn schalckheydt snoodt, de arme Menschen dwinght. Ginck 't mijn vyant na wensch, hy maeckten my on-Christen, Helpt Heer mijn schoone siel, eer hy die we'er bespringht.

3 Ick wierdt eerst door mijn jeucht, gevangen en ghebonden, 'K en kon den droch noch niet, die met sijn listicheydt Lustich had op gepronckt, de werelt en de sonden, Met fier en schoo gelaet, dat my haest heeft verleyt.

4 Noch quam den schijn-wellust, met Iuffrou valsch behagen

Omhelsen strengh mijn hals, met een waen-vreuchde soet, Porden, jae drongen my dat ick haer ionst moest draghen, Quetsen, och armen! dus mijn Godtvruchtich gemoet.

5 Reden wert daer gheboeyt, en sotheyt werdt verheven, Siet wat een swacken ding is de menschelijcke stant: Trouwens het is mijn schult, al wat ick heb bedreven, Vergeeft my dat, o God! beschermt my met u hant.

6 Wilt u genadich oogh, o Prins! niet van mijn keeren,

'Xerceert mijn in 't goet, 't welck ick noch niet en ken: Yder sal dan met mijn u hooge goetheyt eeren, Zo ghy mijn maeckt de geen die ick noyt was, noch ben.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Geestigh liedt-boecxken · G.A. Bredero · Poetry Cove