Stem: Mijn hart versucht, eylaes, &c.
Aenschout, o Heer mijn hart! en wild dat eens vervormen:
Bereyt mijn na u wil, monstert uyt mijn het quaet,
Comt hellept mijn, o Godt! verwinnen en bestormen
Den loosen Sathan, die mijn salicheyt seer haet.
2 Een duysent kunstenaer, is dese die met listen
Flucks met sijn schalckheydt snoodt, de arme Menschen dwinght.
Ginck 't mijn vyant na wensch, hy maeckten my on-Christen,
Helpt Heer mijn schoone siel, eer hy die we'er bespringht.
3 Ick wierdt eerst door mijn jeucht, gevangen en ghebonden,
'K en kon den droch noch niet, die met sijn listicheydt
Lustich had op gepronckt, de werelt en de sonden,
Met fier en schoo gelaet, dat my haest heeft verleyt.
4 Noch quam den schijn-wellust, met Iuffrou valsch behagen
Omhelsen strengh mijn hals, met een waen-vreuchde soet,
Porden, jae drongen my dat ick haer ionst moest draghen,
Quetsen, och armen! dus mijn Godtvruchtich gemoet.
5 Reden wert daer gheboeyt, en sotheyt werdt verheven,
Siet wat een swacken ding is de menschelijcke stant:
Trouwens het is mijn schult, al wat ick heb bedreven,
Vergeeft my dat, o God! beschermt my met u hant.
6 Wilt u genadich oogh, o Prins! niet van mijn keeren,
'Xerceert mijn in 't goet, 't welck ick noch niet en ken:
Yder sal dan met mijn u hooge goetheyt eeren,
Zo ghy mijn maeckt de geen die ick noyt was, noch ben.