Skip to content
1621

Geestigh liedt-boecxken

G.A. Bredero

Stemme: Te Brug al binnen de Muren, is't Meysjen wel, &c. Haerlemsche drooge harten nu, Komt toont nu wie ghy zijt, Wy Amsterdammers tarten u Te drincken eens om strijt: Ellick dronck een volle kan, Al wart de buyck geswollen dan, Loopt niet als een dolle man, Maar blyft by den dronck altyd.

2 Wy hebben so vaste sitters hier, En gladde keelen fris, Ick verdwaal in onse Kitters schiet, Om dat hier soo mennigh is: Komt, maackt onse Bier-hanen moe, En brengt elckaer met vanen toe, Ghy verliestet na mijn wanen vroe, Onse Drinckers zijn te wis.

3 Een rustigh vaandel Vrijers fijn Die eysschen u te veld: Maer moeten Wevers noch Snijers zijn, Die ons tegen werden gesteld. Roept al u lustighe Baasen vry, Segt datse rustigh blaasen by,

Maar brenght kannen en glasen by, En bruyckt vry u geweld.

4 Een fray, een seer aardigh gast Verkiesen wy tot Cornel, Die dese staat seer aardigh past, Want hy drinckt styf en snel, Wanneer hy de vocht maar schuymen siet, So sal hy hem versuymen niet, Niet veel hy op syn duymen giet, Want hy macht al te wel.

5 De Capiteyn is een stouter Man, Die oock geweldigh veeght, Die dese kunst so louter kan, En de kan schier stadigh leeght,

Een half-vat neemt hy te stuwen hoort, En wetet so te duwen voort, Hoe menigh nuwe woort Hy daer onder oock wel pleeght.

6 De Luytenant sal geen Molick syn, Het is te nobelen baas Hy wil soo garen vrolick syn Al by de ionge Maas, Op alderhande manieren klaer, Drinckt hy de heele bieren daer, By drien of by vieren, maer Doch sonder veel geraas.

7 Ons Vaandrigh is dol genoegh, Die inde kan so slooft,

Ia dry vier dagen over een boegh: Ick haddet schier niet gelooft, Daar hy soo lustigh wil ande kan, Hy vat die met syn tanden an, En houter oock syn handen van, En slingertse over 't hooft.

8 Gelooft dat het wat wesen moet Die wy kiesen tot Sergeans, Daer een gelach voor vresen moet, Die zijn immers al wat mans, En 't schynen slechte sullen sneech, Sy drincken groote pullen leech, Sy roepen: laet vullen veech, Of anders hebben wy gien kans.

9 't Is wonder, na dat hy soo druystigh is, Te weten ons Corperael, En dat hy niet meer puystigh is, Daar hy soo stort en set, Hy sal 't niet ontloopen, neen: Hy stuertet met heele stoopen heen, Hy souwer noch wel an knoopen een, Was 't anders maar gewet.

10 De schryvers seyde noch onlanx Selven tegen onse Forier, Dat hy gesoffen had viel dranx, Te weten: van Wyn en Bier. Selden desen Broeder pocht, Nochtans al syn goeder vocht,

Seyd hy niet in een voeder mocht, 't Offici staet hem al dier.

11 Wy hebben ons Adelborsten vier, En Lansmissaten mee, Wiens keelen altijd dorsten scheir, Die niet weynigh praten mee, Met ons Provoost wy brommen seer, Die drinckt so uyt kommen meer, Hem droncken eer ick omme keer, En hy kent wel laten mee.

12 De ouwe soldaten winnen prijs, Die drincken met verstant, Haar selven en haar sinnen wijs: Is dat niet triomphant?

Nu voort ghy optreckers treckt, Die garen wat leckers leckt, Siet dat ghy nu streckers streckt, En tart het heele Landt.

13 Beklaagd u niet ghy Princen eel, Dat ick van u naam niet roem, Want seker daar synder soo veel, Dus soo icker eenige noem: D'ander die souden schelden my, Om dat icker hen niet stelden by: Van opspraeck is men doch selden vry: Maer hier missen wy noch een bloem.

14 Siet hier nu ghy Drogisten droogh, Ghy bent het niet alleen:

Wy hebben hier oock kannisten hoogh, Die 't oock konen, soo ick meen, Wasser maar geld te winnen mee, O bloed! hoe souden wy minnen mee, Wy mosten strax beginnen mee, Dan willen wy syn te vreen.

15 De Cryghsraat gesloten heeft, Soo wat vroom of kloeck soldaat, Die aldermeest gegoten heeft, Te vereeren met een staat. Nu maackt de Waardin veel trompe diets, En soeckt haar te ontmompen yets, En geeft ghy vande lompen niets, Ghy krijght de hooghste graat.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Geestigh liedt-boecxken · G.A. Bredero · Poetry Cove