II. De klagende Sultan.
Duizend vrouwen vol van gratie
Houdt de Sultan - Allah spaar' hem -
Houdt de heer der Turksche natie
Onder slot in zijnen harem.
Allen om het zeerst behaaglijk -
Echter is hij droef en suft hi.
‘'t leven wordt mij onverdraaglijk’,
Klaagt hij tot den Oppermufti:
‘Zeker zijn ze schoon als houri's,
Maar beminnen doet mij geene:
Ja, ik zeg, de minste boer is
Meer tevreden met zijne ééne.
En Sophietjes lief en zanger’ -
Hier begon hij luid te huilen -
‘Zou, hoe ik het ook verlang, er
Vast met mij niet willen ruilen!’