III. Mahomeds hemel.
Ik heb den Koran nooit gelezen,
Maar iemand heeft mij uitgelegd
Hetgeen hij van den hemel zegt,
En zie, Mahomedaan te wezen,
Dat is toch waarlijk niet zoo slecht!
Een hemel, waar ze wierook branden,
En psalmen zingen in 't Latijn,
Hoe heerlijk die den Christen schijn',
Doet mij volstrekt niet watertanden,
En moet al fel vervelend zijn.
Maar 't paradijs der Ottomannen,
Dat is een hemel, die mij gaat!
Daar wordt gelachen en gepraat,
Daar drinkt men wijn uit goudene kannen,
En koost en kust men vroeg en laat!
Doch hoef ik dààr belet te vragen,
Sophie, opdat ik zalig zij?
Niet eene houri is als gij
Zoo schoon, o zonne mijner dagen,
En kussend schenkt ge nectar mij.