Wijse: Aenmerckt ô Aerdsch geslacht.
Gy Doggenaertjes fier,
Al van Maes-sluys eerbare,
Die met een goet playsier,
Op bracke stroomen varen:
Heën en weer na u begeert,
Die gronden gaen besoecken,
Om Vis te vangen jent ,
Met Netten of met hoecken:
U tot het goede wendt,
Godt sal u zijn omtrent.
2. Want door Godts macht seer groot,
Soo brenght gy hier te Lande,
Veel Cabeljau minjoot,
Oock Schelvis veelderhande,
Vleet, Roch en Poon, oock Ballick schoon,
Schol, Schar, en Heyl-bot goedigh,
Spieringh en Mackereel,
Oock Haringh overvloedigh,
Leng’, Pieterman oock veel,
Komter al in ’t geheel.
3. Soo dat gy Sluysche-dal,
Spijst veelderhande menschen,
In Holland over al,
In Brabant mee na wenschen:
Oock in Vranckrijck en te Danswijck,
Doet gyse voeren vaerdigh,
Met schepen groot en kleyn,
Om te spijsen seer aerdigh,
Veel menschen in ’t gemeyn,
Door Godes zegen reyn.
4. Want het moet alles van
Des Heeren zegen komen,
Soo dat hem niemant kan
Op den zegen beromen:
Want yder leeft, van’t geen Godt geeft,
Door sijn milde-handt krachtigh:
Dies laten wy met vlijt
Hem prijsen al eendrachtigh,
Om te wesen verblijt,
Al in den laetsten tijt.