Stem: Fonteyn hoe ongestadig zyn u gaven &c. IN 't Iaer van sestien hondert drie-en-tachtig, Doe heeft God de Heer seer sterk en waaragtig. Een wonderwerk getoond, Op 't woeste Element,
Aen een Iongman van Sluys, Die met een Dogger-buys, Raakte door 't Meers gedruys, In groot elent. 2. Den seventienden dag van February, Doen ontstak eenen zeer zwaren storm daar zy Haar Neering veeltyds doen, Ontrent het Dogter-zant, Daar haar beroep veel leyd, Dat meenig heeft beschreyd, Met groote treurigheyd, Op Zee Land. 3. Dit onweer is noch meer en meer ontsteken, En heeft verscheyde Scheepen zoo doen breeken, Dat sy tot in de gront Seer droevig zyn geraekt, Van Sluys en Vlaerding mee, Versonken vier in Zee, Dat Mees en Weduwe Veel heeft gemaekt. 4. Drie Hoekers zyn doen van ons plaets gebleven, Waar dan maar een Iongman behield het leven, Die na het achter ent Door 't water hem begaf; 't Schip raakte zeer aan stuk, Dat voor ende nam een duk, En zonk tot in den buk, Van 't diepe graf. 5. Des nachts ontrent een weynig tyd voor Eenen, Is haar dit droevig ongeluk verscheenen, Een zeer bezwaarde slach, Quam onder uyt den gront,
Sy lagen in haer rust, Doch met seer kleyne lust, Haer slaep wierd uytgeblust, Van dese wont. 6. Twee Maets zijn spoedig uyt het gat gekomen Waer van de Zee straks een heeft weg genomen, De tweede was de geen Die 't leven nog behield, En dit was haer gekryt Die 't leven raekten quyt, Heer ons genadig zyt, Bewaert ons Ziel. 7. Want al die nog in het Voorschip waren, Verzonken met malkander in de baren: Huybrecht die heeft alleen Een kleyn verblyf gehad, Heel agter in het Schip, Sat hy als in een knip, In een brandende klip, Door en door nat. 8. Want aen de keel toe ging hem 't water wringen, Noch quam het ongediert hem bespringen, De Rotten zochten aes Van zijn benoude vleys, Dus was hy seer bedugt, Van al dit quaet gerugt, En gaf so menig zugt Tot God na eys. 9. Ten lesten heeft hy eenen moet gegreepen, En heeft het ongediert doot genepen: Doe was hy van haer vry, Maer niet uyt doods gevaer: Dus dreef hy op het wrak, En wierd elendig zwak,
De Zee zeer yslyk brak, Met groot gebaar. 10. Twee etmaal en een hallif moest hy dryven, En zeer elendig in het water blyven, Dat hem tot aan den mond, Verscheyde malen quam, Een Kabbeljaauw quam by Hem, dicht tot aan zijn zy, Daar hy dus was in ly, Doch was heel tam. 11. Wie kan dit wonder van den Heer beseffen? Want kou noch honger quam hem oyt aantreffen, Hy sliep noch al te met, Soo hy in 't water zat, Dit heeft hem noch verlicht, Tot God was zijn gezicht, In det sijn swaar gewicht, Hy ernstig bat. 12. Het weer is doen heel bequaem geworden, Hy keek, en sag acht Scheepen, dog zeer vorden: Hier schept hy nieuwe moet, Maar lang en duert het niet, Hy raakte seven quyt, Doe naakten hem gekryt, Maar God hem weer verblijd, d'achtste hem siet. 13. De alderkleynste jongen ging dit zeggen, Ach! ach! Ik sie al wat byzonders leggen, 't Is warelyk een Mensch! Ik bleyf vast by mijn woord, Huybrecht beroerden 't lyf, Van ongemak heel stijf, Seynen was zijn bedryf, Sy zeylden voort.
14. Sy quamen hem te met al vry wat nader Ten lesten zagen sy hem allegader: Sy liepen hem soo dicht, En hoorden dat hy sprak, Hy riep, werp my een lyn, Daar moet een lus in zijn, Hy kreeg die met veel pyn Om 't ligchaam strak. 15. Dit had geduert wel een-en-zestig uyren; Hoe kan een mensch so lang in 't water duyren, Dat in een onderkleed, En niet met al op 't hoofd: Dus moest hy na haar toe Door 't water wel tien roe, Denk hoe hy was te moe, Dus afgeslooft. 16. Looft den Heer die tweemaels hem heeft gebooren, De eerste reys quam hem zijn Moeder voren, Die hem met vreugd aanzag, Wanneer hy was gebaart: Na drie-en-twintig jaar, Soo juygt een gandsche schaar, Men roept tot god eenpaar, Hy is bewaardt. 14. Sy hebben hem uyt zee aldus ontfangen, Binnen Scheeps-boord: met tranen op de wangen Sy queekten hem zeer wel: Met kleeren en met spys: En brachten hem aan Land: Daar veel hem boon de hand: Men dankt God voor bystant: Op dese wys. 18. O wondre kracht van u: O Vader! Boven
Gy kund al redden hoe het is verschoven, Al leyd men in de Zee, Of in een Wallevis: Al moet men door het vier, Of by 't leeuwen getier, U hullip die is hier Sterk en gewis. 19. U krachten zijn zoo groot heer van vermogen Dat niet ter wereld hem zoo quaed kan vogen, 't Is voor u even veel Wie dat gy komt te baet, Hoe sterrik dat men schynt Of door swakheyd verdwijnt, Ia tot de doot gepynt, By u is raed. 20. Heer geeft ons al te zaem een vast vertrouwen, Laet ons met lust en rust de Zee weer bouwen, En of de dood ons nam, Gelijk hier is gebeurd, Die u maer sterven Heer, Al leyd de romp in 't Meer, De ziel neemt dog haer keer, Daer sy noyt treurd. 21. Oorlof al die u tweede ziel verliesen, Wild God de Heer vertrouwen en verkiezen, Hy sal u zijn een Man, En Vader van gelyk Sijn hulp en is niet vert, Beveeld hem al u smert, En draegt hem in u hert, Elk oogenblik.
Cookies on Poetry Cove