Over Psalm 84. en de zelfde Voys. Hoe lieffelyk, ô Heer, en hoe rein, &c. LIeflijk zijn u wooningen Heer, Mijn Ziel heeft daar toe groot begeer,
Ende beswijkt door het verlangen, Na uwe Voor-hove zeer soet: Roep mijn Ziel uyt een droef gemoet, En is daer door benout en bangen: Om U O levendige God Te krijgen tot een eeuwig lot 2. Selfs vinden de Muskens een huys De Zwaluw leid zijn jongen t'huys, By u lieffelijcke Altaren, Och dat ik daer verscheynen mogt, Om te genieten 's Hemels vogt, O mijn God en Heer der Heyrscharen, Wel-gelukzalig is de man, Die in u Woning wonen kan. 3. Wel-gelukzalig is die mensch, Wiens sterkte gy sijt na sijn wensch, In wiens hart sijn gebaende wegen, Als sy gaen door dit jammerdal, Van het Moerbesen-boom getal, Wanneer sy dan raken verlegen, Stellen sy hem tot een Fonteyn, En worden regenrijk gemeyn. 4. Sy sullen gaen van kragt tot kragt, Tot datz' en 't Zyon sijn gebragt, Al om haer voor God te verschijnen, O Heere der Heyrscharen groot, Mijn gebed dog niet en verstoot, Laet het voor u dog niet verdwijnen, O God Iacobs bied my de hand, Want ik ben in een droeve stant. 5. O God onsen schild ey aenschout, U gesalfden die u vertrouwt, Want een dag in u Voorhoven Is beter dan elders duysent,
Daarom waar ik liever bekent Te wesen: daar men moet vertoven Aan de dreppel al aan u huis: Dan langer by het boos gespuis. 6. Want God de Heer is en Son: Een Schilt, en een levens bron: De Heere zal genade geven: En zal goet onthouden niet: Want hy zeer gare hulpe biet: Aan die hier oprecht zoekt te leven: Wel-gelukzalig is de Ziel: Die hem vertrout: noit en verviel.
Cookies on Poetry Cove