1 Ioh. 2: vers 15, 16, 17, 18. En hebt de Werelt niet lief, noch het geene in de werelt is: Soo ymand de werelt lief heeft, de liefde des Vaders en is niet in hem.Want al dat in de werelt is [namentlyk] de begeerlykheyd des vleesch, ende de begeerlykheyd der oogen,
ende de grootsheyd des levens, en is niet uyt den Vader, maar is uyt de wereldende de wereld gaat voorby ende hare begeerlykheid maar die den wille Gods doet blyft in der eeuwigheid.
Stem: Ik ging lestmaal op eenen morgen. Of: Ach treurt met myn bedroefde Schapen. 1 EY wilt de werelt niet beminnen, Noch yet het geen de werelt is, Soo iemand draagt de werelt binnen, Hy tast de de liefde van God mis; Want al de de dingen Die werelt geeft, Syn zeer geringe, En die haar aan kleeft, Sy namaals smarte heeft. 2. 't Is maar begeerlykheid der oogen Ende begeerlykheid des vlees: De ned'righeid kan zy niet doogen: Maar stygt hooge zonder vrees; Grootsheid van leven: Gaat van God niet uyt: Maar zulken geven Uyt de weerelt spryt: Dat niet als quaad beduyt. 3. Het werrik zal zyn Meester loonen: Want de werelt die gaat voorby: Haar heerlykheid zal niet lang tooneen: Maar spoedig raken aan een zy? Maer die Gods wille Boet blyft eeuwiglyk, Al 's werelts grille,
Open tot een strik, Die noyt en raekt aen stik. 4. Kinderkens van de laetste uyre Is de sandloper lang gekeert, De rest en sal niet lange duyren Dit heeft ons Pauwelus geleert, Over veel jaren Nu is 't soo veel naer, De tyd sal baren Een zeer droeve maer, Voor die word 's werelds paer. 5. De tyd is 't kostelykste van alle Want eens ge-eyndigt komt niet weer, Hoe schrickelijk sal 't haer bevallen Die leven na 's werelds begeer, In 't laest der dagen Sorgeloos te gaen, Die dat durft wagen Sal sijn straf ontfaen, Als 't laetste eynd komt aen. 6. Dan sal de wereld haer verlaten, Met al haer pragt en pronkery, Grootsheid van uwen hoge staten, Siet toe gy sult niet raken vry, Soo gy blijft rusten In de wereld staeg, In uwe lusten Voldoet alle daeg', Gy zet u ziel te waeg'. 7. Overspeelders Overspeeld'resse En weet gy niet wiens vriend gy bent, Soo leert Iacobus waerde lesse, Die zal het u maken bekent Hy seyd de wereld
Vyandin van God, Sy schyn beperelt, Dat's u boel zeer zot, Dit werk het droefste lot. 8. Niet schrikkelyker voor de mensche Als een vyand van God te zyn? Wel wie zou dog dan zulliks wenschen? En wenst men 't niet waarom dan schyn. Wil men 't niet wesen? Word 's werelts vyand, En wilt God vreezen Met hart en verstant, De werelt aan een kant. 9. Dan zal men eens met God geraken Als 's werelts eynde komen zal, Dat zy zal branden ende blaken, Met een zeer schrikkelyk geschal. Komt werelts vrinde Snyt de werelt af Ey word doch ziende, Vreest die zware straf, Eer dat gy raakt in 't graf. 10. Want als het graf u heeft beslooten Al duert het dan noch duysent jaar, De tyd is zoo ras omgeschooten, Als of het maar een uyr en waar, Kort of te lange Na den slaap des doods, Word strak ontfangen, Hemel of Helle boos. 11. Och laat ons al te zamen trachten, God te beminnen boven al, De werelt vyandig verachten,
Want die haer mint die raakt ten val Maar die God kiezen Voor haar waartste goed, Sal noyt verliezen, 't Geen de liefde voed, Maar krygen overvloed, 12. Met weder liefde zal God lone Al die hem hier oprecht bemind, Hy zal zijn liefde zoo betoonen, Meer als een Moeder doet haar kind. Schoon die vergaten Hare liefde teer, God boven mate, Vergeet nimmermeer, Die hem mint hert'lyk zeer. 13. Hy zal zijn liefde zoo uytstrekken Over die hem heeft lief gehad, Dat hy ze zal ten Hemel trekken, En geven haar dien grooten schat, Die onwaardelyk Boven by hem leyd, Uytnemend heerlyk Is die haar bereyd, Tot in der eeuwigheid.
Cookies on Poetry Cove