Skip to content
1658

Huys-gesangen

Franciscus Ridderus

Stemme: psalm 46. Als ons de noodt overvalt krachtig. 1. GOds volck wort dapperlijck bestreden, En worstelt met veel tegen-heeden:

De werelt 'tvleesch en 'thelsch gespuys Kanten sigh tegen Christi Huys. Sy hebben listige dienst-knechten, Waer door sy Godes Stadt bevechten:

Hier sluypt een dwael-geest listigh in: En daer een van een aerdschen sin. 2. Hier vindt ghy een geveynsden vleyer,

En daer een ergerlijck misleyer. De Lauwe. en Nicodemijt En kan Gods Kerck niet worden quijt. De Schismatijck scheurt Christi leden.

De Ketter luystert nae geen reden: Soo doet oock niet de Apostaet. De Antechrist baert 'tgrootste quaet. 3.

Dan heeft de Kercke noch Vyanden Die 'tChristen-volck grijpen in banden. Jae veele koelen noyt haer moet, Voor dat gestort wort 'tChristen-bloet.

Doch tegen al dit wreede woelen, Doet Godt de Kerck zijn gunste voelen. Hy troost, hy redt uyt ongeval Noyt komt Gods Kercke gansch ten val.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Huys-gesangen · Franciscus Ridderus · Poetry Cove